Verkeer

Milieubarbaren!

Rij ik te genieten van de mooie natuur om me heen, rijdt er voor mij zo’n uitgeleefde roestbak op wielen ten eerste al smerige dampen te walmen, draait de bijrijder het raampje open en komt me daar toch een gore rookwolk uit dat raam! En dan flikkert die ranzige slons tot overmaat van natuurramp ook nog eens de inhoud van zijn asbak leeg in de berm!! Gadverdegadverdegadver! Milieubarbaren!

….

oooooooooooohmmmmmmmmmmmmmmmmmmm

Snot, verbazing en ergernis

Met mijn kleine ventje aan de hand stapte ik in peutertempo naar de ingang van de dorpsdrogist. Een vriendelijke oude grijsaard stond voor de ingang op zijn stok te leunen. De oude man hoestte een piepende en reutelende oudemannenhoest. Vriendelijk glimlachend liet hij mij en mijn peuter, die mij er even op wees dat hij hier altijd een snoepje krijgt, voor. 

Binnen bestelde ik bij de kassa een doosje kinderparacetamolletjes en een flesje kinderneusspray. Dat is hard nodig, want er lopen ettelijke kleine en grote snotneuzen rond bij ons thuis. Pa en ma vliegen de hele dag af en aan met lotiontissues om de geelgroene snottebellen weg te poetsen. Toen ik had afgerekend stelde de drogiste de geijkte domme vraag aan mijn snotterpeuter: lus jij ook een snoepje? Nou en of natuurlijk.

Intussen was het oude heerschap ook binnen komen hobbelen en was nu aan de beurt. “Goedemorgen meneer, kan ik u helpen?”, riep de drogiste luid. Tot mijn dubbele verbazing vroeg de op zijn minst 80-plusser of ze even een pasfoto wilde maken voor de verlenging van zijn rijbewijs. Ten eerste wist ik niet dat de drogist tegenwoordig ook fotograaf was. Waarschijnlijk was dat altijd al zo en wist ik het niet. Wel handig, want ik reed voor pasfoto’s altijd een dorpje verderop. Maar ten tweede verbaasde ik me er hogelijk over dat deze man nog kan autorijden. 

Mobiele bejaarden. Je ziet ze regelmatig rijden. Bedaard kachelend over de binnenwegen. De snelwegen mijden ze gelukkig zoveel mogelijk. Ze nemen hun tijd bij de kruispunten. Ongeduldige drammertjes (zoals ik) laten ze rustig in hun eigen sopjes gaar smoren. Allemaal zinloos gehaast. Ooit waren ze zelf ook jong en onbezonnen. Het gaat vanzelf wel over in berusting. Zij kunnen het weten. Maar ík wil het nog niet weten. Aan de kant opa, want ik wil er met mijn onbezonnen woestenij tóch erg graag voorbij. Ouwe lullen achter het stuur. Levensgevaarlijk. Toch?

Koot en Bie, nu zelf al aardig bejaard, dachten er vroeger in ieder geval net zo over. 

Tot op het bot

Geuren kunnen ineens herinneringen oproepen, maar pijnen blijkbaar ook. Zo werd ik ineens ruim 30 jaar terug in de tijd getrokken naar het moment waarop ik door een auto werd geschept. De klap zelf herinner ik me helemaal niet meer. Wel het moment dat ik ontdekte dat ik op straat lag. Iemand ondersteunde mijn hoofd en zei dat de ambulance zo zou komen. Iemand anders bracht een kussen voor onder mijn hoofd. Mijn been tintelde en kriebelde. Ik voelde er even aan en ontdekte een glibberige uitstulping halverwege mijn linker scheenbeen.

De dag ervoor had ik mijn verkeersdiploma gehaald op school. Daarom mocht ik helemaal alleen naar het zwembad fietsen. Trots was ik daar naartoe onderweg toen ik in tegenovergestelde richting ineens een vriendje zag fietsen. Hij zwaaide al van verre. Of ik ook naar het zwembad ging. Hij moest eerst zijn zwemspullen nog halen. Ik riep dat ik wel even mee wilde fietsen. Dat was goed. Ik gooide zonder om te kijken mijn stuur om. Het bejaarde echtpaar dat mij schepte is zich bijna doodgeschrokken. 

Mijn linker onderbeen was finaal doormidden. Het was een lelijke breuk dat met een metalen plaat gezet moest worden. Zestien dagen lag ik in het ziekenhuis. Na de eerste operatie hielden ze mijn been open voor observatie. Iedere dag moest de wond worden schoongemaakt. Vastgeplakte stukken watten en verband met gedroogd bloed moesten worden losgepeuterd. Dat deed iedere keer gemeen zeer. Ik heb het uitgeschreeuwd en mijn moeders hand blauw geknepen. Toen de artsen tevreden waren over het herstel mocht mijn been weer worden dichtgenaaid. In al die tijd dat mijn been open lag, hadden de huid en al het spierweefsel zich teruggetrokken.

Tijdens de tweede opratie moeten de chirurgen met grof geweld mijn spieren en vel weer om mijn kleine beentje gespannen hebben. Ik stel me voor dat ze eerst de hechtingsdraden hebben aangebracht en daarna mijn been als een strakke laars weer dichtsnoerden. Het voelde voor mij, toen ik uit de narcose kwam, alsof ze het hadden gedicht met een nietpistool. De huid zat zo strak dat ik al door de grond ging als je er te hard naar keek. Ik kreeg een kooi over mijn been, want het gewicht van de lakens van het ziekenhuisbed kon ik niet verdragen.

Het heeft me ongeveer een jaar gekost om weer helemaal te revalideren. Mijn linker scheenbeen heeft nog steeds een lelijk litteken over bijna de hele lengte. De breuklijn op het bot kan ik nog steeds exact aanwijzen. Dat gebied is altijd hypergevoelig gebleven. Ik kan er grote drukveranderingen in de atmosfeer mee voelen. Als je heel zacht met je vinger over het litteken aait voelt dat voor mij alsof je met je nagel over mijn scheenbot schraapt. Al bij het idee griezel ik. Ik vloek de hele wereld bij elkaar als ik even heel licht tegen bijvoorbeeld een tafelrand stoot met dat scheenbeen. Laat nu net dat stukje van mijn lijf het plan opgevat te hebben om er na 30 jaar de brui aan te geven en eens lekker geïrriteerd te reageren.

De huisarts denkt aan scheenbeenvliesontsteking (ook bekend als shinsplint). De fysiotherapeut meende dit hypergevoelige gebied op mijn linkerscheenbeen te moeten masseren. Ik werd er letterlijk misselijk van. Ik kon het nauwelijks verdragen. Dat gaat dus niet werken. Dit gaat alleen met voldoende rust genezen, is mij verteld. Lange wandelingen en file-rijden voorkomen. Dit soort kwaaltjes pakken fysiotherapeuten ook vaak aan met intaping. Maar omdat het gebied waarop het moet worden aangebracht zo ontzettend gevoelig is, kreeg ik eerst even een klein stukje opgeplakt. Het zit erop sinds gisteren en ik voel de hele tijd dat het er zit. Tot op het bot. 

Domweg

Hij bestaat, de Domweg, en loopt ergens in midden in Gelderland. Zo te zien midden in dat grote militaire oefenterrein. Heel dom als je je daar als gewone burger waagt met je auto. Het is bovendien een doodlopende weg. Doodlopende wegen hebben met elkaar gemeen dat je er onvermijdelijk tot stilstand zult komen.

Dat stilstaan doen we natuurlijk ook massaal op onze snelwegen, maar dat is – in tegenstelling tot doodlopende wegen – onbedoeld. De bedoeling van een snelweg is juist dat je je er snel over kunt voortbewegen. Snelwegen moeten goed doorstromen. Het zijn de slagaderen van onze infrastructuur en bij de grote steden worden het aorta’s. Elke dag is het weer mis. Vooral bij de knooppunten waar snelwegen elkaar kruisen. Daar moeten we netjes ritsen en elkaar de ruimte geven om in en uit te voegen. En dat vinden velen erg moeilijk. Als iedere weggebruiker domweg 1 andere weggebruiker voor zich laat invoegen dan werkt die rits.

Om de veiligheid en doorstroming te optimaliseren wordt het verkeer rond de knooppunten automatisch geregeld met variabele snelheidslimieten die worden weergegeven op lichtgevende borden boven de weg. Het is dan dus strafbaar om harder te rijden dan de aangegeven snelheid. En toch zie je dat de meeste mensen gewoon met 120 (of harder) onder een 90 doorrijden. Verderop staat er dan 70 boven de weg en nog wat verder 50. Maar tegen de tijd dat je bij de 50-borden bent, mag je blij zijn als je nog stapvoets kunt rijden. Dat komt door onze eigenwijsheid. Wij denken wel even te kunnen beoordelen of de automatische verkeersregeling gelijk heeft of niet. Dat is ronduit idioot, want je kunt vanuit je auto nooit de hele verkeerssituatie rond een knooppunt overzien. Als we ons allemaal domweg aan toegestane snelheden die die tijdelijke borden aangeven zouden houden, dan heeft de nog relatief kleine of dreigende opstopping verderop tijd om op te lossen voordat de rest van de spits er achterop komt.

Die Gelderse Domweg ligt niet ver van de A50. Ik rijd er regelmatig langs. Vaak rond de spits. Verderop bij Zwolle wordt het dan heel druk. De spitsstrook is open en je mag maximaal 80. Normaal mag je er 100. Wie zich domweg aan die spits-snelheidslimiet houdt wordt vol onbegrip links en rechts ingehaald. 80 wordt niet begrepen en geaccepteerd als er toch een hele strook extra asfalt is. De wet overtreden is dan de norm. De verstandigen worden met de nek aangekeken. Ik probeer ook wel eens domweg verstandig te zijn, maar na een tijdje trap ik het gaspedaal dom genoeg toch maar wat verder in, wetende dat ik medeplichtig ben aan het veroorzaken van een verkeersopstopping.

Gelaten sluit ik even later aan in de door mijzelf mede-veroorzaakte file. Ineens wens ik dat mijn auto een zware militaire tank met rupsbanden is. Ik rij dan over iedereen heen die niet aan de kant gaat. Maar ik zit toch gewoon in een ongepantserd blikken voertuig en heb geen rupsbanden. Ik zucht en sluit aan. Er zit niks anders op. Ik bel vrouwlief maar weer op en zeg dat ik het domweg niet ga redden.

Opleggerkonten beter benut

Hou in het verkeer rekening met harde windstoten, zei de anwb-er op de radio. Dus netjes de handen op 10 voor 2, vervolgde de man. Ik heb mijn handen tijdens het autorijden het liefst op 10 voor half 8. Af en toe schuiven mijn handen over het stuur naar boven, richting kwart over 9 als ze elkaars nabijheid even niet meer zo goed kunnen verdragen. Of omdat ze gewoon even verzet willen worden. Een beetje vergelijkbaar met de trucker die, omdat hij al ruim 10 minuten tegen dezelfde achterkant van een andere oplegger zit te kijken, in haalt. 

Truckers halen elkaar niet in omdat ze te langzaam gaan en ook niet omdat ze haast hebben. Ze hebben gewoon even een verzetje nodig. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Op een gegeven moment ben je echt wel uitgegeken op de kont van je voorligger. Wat dat betreft worden de konten van opleggers totaal verkeerd benut. Die konten worden immers het meest bekeken door andere truckers. Daar zou je toch iets mee moeten kunnen doen om te voorkomen dat ze willen inhalen?  

Een eerste mogelijkheid is ervoor te zoren dat die kont waar hij naar zit te kijken, interessant blijft. Dus moet die kont er niet steeds hetzelfde uit blijven zien. Er moeten dus wisselende beelden en teksten op komen te staan. Geen bewegende beelden, want die leiden weer teveel af, maar beelden die elkaar om de zoveel minuten vervangen. En de informatie die erop komt te staan moet nuttig zijn voor de trucker die het leest. Bijvoorbeeld rond lunchtijd: “eerstvolgende restaurant op jouw route is bij afrit 38, 10 minuten rijden”. Geen teletekst, maar konttekst.

Een andere mogelijkheid is om aan de voorkant van iedere truck een camera te plaatsen waarvan de beelden op de kont van de oplegger komen te staan. Zo kan de trucker die naar die kont kijkt zien of het de moeite waard is om in te halen. Hierbij ontstaat een tunneleffect. Als er een hele sliert truckers achter elkaar rijdt, kan ook de achterste zien wat de voorste trucker ziet, want al die beelden worden van de voorste camera naar de achterste kont gestuurd. Dan hoeven ze dus ook nooit meer in te halen. Warempel, dat is gewoon het beste idee van Nederland! Ik schrijf me met deze uitvinding meteen in 😉 

Zwermen buizerds

Toen ik veel te hard door de dikke mist en over het tot net boven het vriespunt gekoelde asfalt van de A28 naar huis scheurde, zag ik even voorbij Haren een buizerd op een paaltje zitten. Het beest leek me aan te kijken. In mijn ooghoek zag ik zelfs hoe het zijn kop meedraaide terwijl ik voorbij zijn paaltje zoefde. Gek, dacht ik, zou er soms iets interessants voor buizerds te zien zijn aan de auto? In de linkerbuitenspiegel zag ik hem nog even zitten voor hij in de mist verdween. Nog steeds had ik zijn nakijken.

Een paar kilometer verderop zag ik langs het weiland iets fladderen. Er landde juist een grote roofvogel op een paaltje. Al weer een buizerd. In termen van buizerds hebben we het hier nu praktisch over een zwerm. Ook deze buizerd toonde bijzondere interesse in mij, zo leek het. Toen ik opzij keek, zag ik dat ook dit dier me na keek. Heel vreemd. Rationeel als ik ben schoof ik het maar gauw onder louter toeval.

Weer enkele kilometers verder zag ik, je raadt het al, al weer een grote roofvogel op een paaltje. Nog een buizerd. En verderop nóg een buizerd, en later nóg één. Het wemelde van de buizerds langs de snelweg! Nu viel het me op dat ook andere automobilisten door de buizerds in de gaten werden gehouden. Ik moest ineens denken aan die rare motorfanaten die  tijdens de TT-dagen langs de snelweg gaan staan om naar de voorbij ploffende helmen met grote snorren eronder te kijken. Die buizerds leken dus massaal aan het carspotten te zijn geslagen. Ik viel duidelijk ook in de categorie van spotwaardige weggebruikers.

Thuis liep ik eens goed om de auto heen. Niks te zien natuurlijk. Rare buizerds. Die zitten nu allemaal thuis te gniffelen: zag je ze kijken die rare tweevoeters in hun stinkende machines?Jammer dat er niet eens een ongeluk gebeurde hè? Nou volgend jaar beter.

Waarover ook al weer?

Op een rustige snelweg, gehypnotiseerd door de flitsende witte strepen en het gonsen van de banden van je auto, komen vaak creatieve ideeën naar boven. Ik droom dan tijdens het rijden een beetje bij. Niet weg natuurlijk, maar bij, bij volledige alertheid. Ik kan het ook niet tegenhouden. Autorijden op een rustige snelweg is heel monotoon, dus dan beginnen allerlei gedachten naar boven te drijven. Aan de oppervlakte kabbelen ze prettig door mijn hoofd. Ineens drijven twee gedachten die elkaar nog nooit hadden gezien naast elkaar en vermengen zich. Er ontstaat een nieuw golfpatroon en dan ineens heb je dus zo’n aha-moment.

Dit moet ik onthouden, denk ik bij mezelf. Daar zit wel een leuke verwoede noot in, denk ik dan ook. Op zo’n moment moet ik eigenlijk de eerste de beste P in rijden en het idee ter plekke neerpennen, maar dat doe ik natuurlijk nooit. Altijd weer stel ik een veel te groot vertrouwen in mijn geheugen. Bijna altijd stel ik mezelf dan later enorm teleur. Het idee is dan al weer hopeloos opgelost in de maalstroom van alle dagelijkse beslommeringen. Hoe suf ik me ook peins, ik kan me alleen nog herinneren dat ik een briljant idee had voor een verhaal. Maar waarover ook al weer?

De stilte van 15 miljoen

Een van mijn favoriete oasen van verstilling in Nationaal Park Dwingelderveld (vanmiddag zelf gekiekt met mijn fotofoon)

Vanmiddag liep ik door de Drentse bossen, niet ver van Spier, niet ver van de snelweg, niet ver van het Noorderveld. Samen met mijn vier dartele veulentjes. Ik had 3 pogingen nodig om een stil stukje Drenthe te vinden. Gelukkig was mijn favoriete stukje nog relatief rustig. Rondom onze woonplaats Dwingeloo waren de bosparkeerplekken bomvol en overal tussen de bomen zag én hoorde je mensen lopen. Allemaal toeristen die op zoek waren naar die Drentse stilte. Dit werd mij duidelijk toen ik het Journaal van 8 uur vanavond zag.

Die Drentse stilte wordt in de nabije toekomst dus nóg stiller, en daarvoor wordt even 15 miljoen euro opgehoest. Het Noorderveld zelf wordt weer zoals het was vóórdat het landbouwgrond werd: een sompig en uitgestrekt heidegebied. Een glorieuze muggenkwekerij. Van het Noorderveld wordt momenteel een laag aarde afgegraven en over en strook van 5 kilometer langs de A28 op een grote langwerpige hoop gekwakt. Die hoop krijgt twee functies: geluidsdemper en toeristenlokker.

Nietsvermoedende automobilisten wil men van de snelweg lokken met behulp van een 5 kilometer lange lokstrook vol heide, bomen en wat waterpartijen. Als vliegen moeten de potentiële toeristen op de nieuwe natuur en stilte afkomen. Goed voor de lokale economie, want daarmee gaat het blijkbaar niet goed. Komt zeker door de krimp. Vanmiddag had Het Dwingelderveld bepaald geen tekort aan toeristen. Het gonsde ervan in de bossen en op de hei. Oh, wat is het hier stil hè? Ja, echt heel stil. Jeetje wat stil. En kun je nagaan, het wordt nóg stiller. Echt waar? Ja, echt waar.

De lokstrook moet ook het geluid van het verkeer dat ondanks de verlokkingen tóch door raast, dempen en verstommen zodat de natuur erachter nóg beter kan verstillen. Als natuur- en stilteliefhebber hoop ik dan maar dat de hoeveelheid nieuwe stilte, die stilte van 15 miljoen, groter is dan de de toename van het geroezemoes van die broodnodige nieuwe toeristen, anders komt er van die verstilling niks terecht. Aan de andere kant hebben al die nieuwe muggen ook weer verse toeristen nodig. Kom toch maar dan, u bent van harte welkom!

Powered by ScribeFire.

Emiel op pad met papa

Emiel en papa gaan samen weg, in de auto.
De auto moet naar de garage, dus papa doet de fiets achterop.
Emiel kan zelf in de auto klimmen.
Papa tilt hem in zijn zitje en maakt zijn riempje vast.
Zo, daar gaan we dan! Zegt Papa.

Kijk, daar rijdt een bus!
Hij stopt bij de bushalte.
Er stappen mensen uit.
Emiel vindt het prachtig.
Doei Bus! roept hij.

Papa rijdt langs het weiland.
Er staan koeien in de wei.
Maar Emiel ziet een tractor.
Die is veel mooier dan een koe.
Emiel zwaait met zijn handje: Doei tractor!

Bij de garage staan heel veel auto’s.
Emiel wijst omhoog.
Ja, zegt papa, die auto staat op de brug.
Dan kan de meneer hem maken.
Auto stuk! zegt Emiel.

Papa haalt de fiets van de auto.
Emiel’s stoeltje gaat achterop de fiets.
Papa geeft de sleutel van de auto aan de meneer,
en dan mag Emiel achterop de fiets.
Één, twee… hoppekee!

Papa fietst langs de sluis.
Daar staat de brug open.
Dus we moeten wachten.
Er varen heel veel bootjes voorbij.
Emiel zwaait naar de mensen op de bootjes.
En iedereen zwaait lachend terug.

Oei, zegt papa, wat een donkere wolken.
Straks gaat het regenen.
Gelukkig heeft Emiel heeft zijn stoere regenjas aan.
Muts op!, zegt Emiel.

Nee, nu nog niet kleine vent.
Maar Papa gaat wel heel hard fietsen.

Even later ziet Emiel zijn huis.
Zijn we weer!, roept Emiel.
Papa stapt van de fiets.
Emiel mag ook uit zijn stoeltje.
Gauw naar binnen, zegt Papa.

In de keuken maakt papa koffie.
Emiel speelt met de tractor van zijn grote broer.
Emiel, kijk eens wat ik voor je heb!
Sap en koekje erbij!, roept Emiel.
Dat is lekker!

Vandaag beleefde ik tijdens mijn papadag zo’n lekker suf maar o zo fijn en stoer avontuur met mijn kleinste ventje Emiel. Het zijn die kleine momentjes waarin je dan enorm van je kind geniet. In mijn hoofd ziet het er dan net zo uit als het avontuur van Tijn op de fiets (met zijn mama) door Betty Sluyzer en Pauline Oud. Daarom schreef ik het kleine avontuur maar eens net zo op.

bron: http://www.bettysluyzer.nl


Ik heb het boekje “Tijn op de fiets” intussen al zeker 1000 keer voorgelezen aan mijn kinderen. Het is een grote favoriet. Als Pauline nou van die mooie illustraties maakt bij mijn eigen verhaaltje, dan wordt het vast net zo’n geliefd boekje.

Otto De Omslachtige

In de garage van Otto de Magiër staat zijn 26 jaar oude VW Golf. De garage is opvallend en tegelijk ook weer niet, want het heeft geen deuren. De oprit ernaar toe eindigt in een muur die helemaal is volgewoekerd met Wilde Wingerd. Met een zacht “fwoep” verschijnt Otto ineens in zijn garage. Hij knipt met zijn vingers en het portier van zijn auto zwaait open. Hij stap in zijn auto, start de motor en sluit zijn ogen.

Op Rijksweg N371, tientallen kilometers van Otto’s huis vandaan, zou de bestuurder van een bestelbusje toch zweren dat de weg voor hem zoëven nog leeg was. Maar nu rijdt er honderd meter voor hem ineens een ouwe, roestige Golf. Maar het is grijs, bewolkt weer en het miezert, dus daar wijt de bestelbusbestuurder het maar aan.

Otto heeft er behoorlijk de sokken in. Hij trekt zich weinig aan van de maximale snelheid van 80. Verderop houdt een motoragent met een mobiele radar snelheidscontrole. Otto geeft gas bij en zwaait naar de agent, maar de agent kan niet terugzwaaien, want hij rent achter zijn motor aan die plotseling startte en in de richting van de sloot hobbelt.

Otto baalt als hij even later achter zo’n brommobiel rijdt. Op de achterkant zit een sticker met “World’s best driver”. Het ding rijdt nog geen 50 kilometer per uur. Op de andere weghelft rijden teveel auto’s dus inhalen is er niet bij. Otto laat daarom zijn stuur los en sluit even zijn ogen. Dan klemt hij zijn kaken op elkaar, brengt hij zijn handen voor zijn borstkas en duwt ze krachtig van zich af. De brom-mobiel schiet ineens als een raket vooruit. Verbijsterd kijkt de brom-mobielrijdster naar de snelheidsmeter. Die staat voorbij de 60, maar ze weet zeker dat ze nu minstens 90 rijdt. Met een tevreden grijns trapt Otto zijn gaspedaal weer in.

Maar verderop ontstaat het volgende obstakel al. De brug gaat open. Otto slaakt een gefrustreerde zucht en schudt zijn hoofd. Zeker weer zo’n suf plezierjacht. Theatraal gooit hij zijn handen omhoog en de Golf verdwijnt. Op de P&R van Station Meppel klinkt het typische fluitende geluid van een vallend projectiel. Enkele mensen die op de parkeerplaats liepen, turen en wijzen naar boven. Dan smakt plotseling een aftandse, oude VW Golf precies op een parkeervak. Er komt witte rook onder de motorkap vandaan. Even later stapt er heel kalmpjes een man uit. Tegen de verbaasde mensen zegt Otto: “Dat heb ik weer, een kokende motor! Dan maar met de trein”. Op dat moment zakt het golfje kreunend door beide assen.

Otto stapt koeltjes in de 1e klas coupé van de Intercity richting Zwolle en gaat prinsheerlijk zitten. Maar het zit Otto weer tegen. Ergens tussen Meppel en Zwolle remt de trein en staat dan een heel kwartier stil. Iets met een bovenleiding. Daardoor gaat hij zijn aansluiting naar Arnhem missen. Daarom gaat Otto naar de WC. Daar komt net een knappe meid uit. Otto glimlacht vriendelijk naar haar en gaat dan zelf het smalle toilet in en sluit de deur. In een toilet van de Intercity naar Roosendaal die klaar staat op perron 7 van Station Zwolle klinkt weer dat zachte “fwoep”-geluid. De wc-deur gaat open en Otto stapt eruit.

Otto komt op tijd aan in Arnhem. Natuurlijk had hij zichzelf ook in één keer naar Arnhem kunnen “fwoepen”, maar Otto wil zo gewoon mogelijk leven. Dat hij toevallig een beetje kan toveren betekent niet dat hij er maar te pas en te onpas gebruik van hoeft te maken. En hij begrijpt al helemaal niet waarom zijn collega-magiërs hem toch steeds Otto De Omslachtige noemen…

Powered by ScribeFire.