Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Glunders voor nop!

Glunderen heeft te maken met nopjes, geloof ik. Als ik namelijk erg in mijn nopjes ergens over ben, dan ga ik helemaal vanzelf glunderen. Hoe dat glunderen dan gaat weet ik eigenlijk niet zo precies. Het gaat gewoon vanzelf. Zodra je in je nopjes bent. Volgens mij kun je het ook niet op commando. Alhoewel, als ik denk aan iets waarover ik erg in mijn nopjes was, dan komt de glunder toch best snel op mijn gezicht. Oogjes gaan glanzen, mondhoekjes worden van elastiek en trekken helemaal door naar de oren. 

In het woordenboek staat dat glunderen “opgewekt kijken” betekent. Maar glunderen is natuurlijk veel meer dan een opgewekte blik. Ik kan heel goed veinzen dat ik opgewekt kijk. Maar een glunder kun je niet veinzen. Glunders zijn altijd echt. Glunders komen van binnenuit. Ik denk dat je een glunder ook maar met heel veel moeite kunt onderdrukken. Ik kan het in ieder geval helemaal niet. Voor mij is dus geen pokercarrière weggelegd.

Ik vermoed eigenlijk dat de mensen met hele goeie poker faces gewoon veel te weinig in hun nopjes zijn. Ze walsen hun nopjes plat door hun trots en tevredenheid te onderdrukken en af te vlakken. Dat gaat deste makkelijker als je ooit eens in een soort nopjes-overdosis was. Na die overdosis valt alle geluk die je dan nog overkomt, in het niet. Je glunderweerstand is daardoor sterk vergroot, als het ware.

Je hebt ook mensen die totaal geen glunderweerstand hebben en zelfs doorslaan naar de andere kant. Die kunnen glunderen zonder in hun nopjes te hoeven zijn. Die lopen de hele dag gelukzalig voor zich uit te stralen. Die moeten eerst aan een moment denken dat ze ergens over in de put (een negatieve nop eigenlijk) zaten, om hun smoel glad te kunnen strijken.  

En dan nog dit bijzondere fenomeen: glunderen omdat je in de nopjes van iemand anders bent. Ouders en grootouders hebben daar bijvoorbeeld heel vaak last van als ze zien hoe trots hun (klein)kind is op een eigen prestatie. Die lekkere glunderkoppies die mijn kindertjes soms hebben om een eigen prestatie zijn gewoon ontzettend aanstekelijk. Dan glunder ik vanzelf mee, in hun kleine, o zo lieve nopjes. Gratis glunders, als het ware. Glunders voor nop! De allerlekkerste glunders zijn dat.

Woorden en daden

Daadkracht dat is, zeg maar, je capaciteit om daden te verrichten. Het maakt niet zoveel uit of het goede of slechte daden zijn. Hoe groter je daadkracht, des te makkelijker je overgaat tot daadverrichting. Koelbloedige moordenaars zijn dus bijvoorbeeld behoorlijk daadkrachtig. Daar worden ze vaak dik voor betaald. Net als topmanagers eigenlijk. Die worden ook geselecteerd op hun daadkracht. Een topmanager hakt los op lastige knopen en een moordenaar hakt er, zeg maar, ook op los.

Daden gaan vaak gepaard met woorden. Eerst is er dan het woord en vervolgens wordt daar een daad bij gevoegd. Zo gaat dat. De daad is de bekrachtiging van het woord. Je hebt mensen die aan 1 woord genoeg hebben om tot de bijbehorende daad over te gaan. Anderen hebben iets meer woorden nodig. Zolang ze de daad maar bij die woorden voegen vertonen ze een bepaalde mate van daadkracht. Daadkracht heb je dus in gradaties.

Mensen die zeggen dat ze iets gaan doen, maar vervolgens de daad achterwege laten, ontberen blijkbaar de moed om die daad te verrichten. Die zou je daadzwak kunnen noemen. Doe mij maar daadzwakke moordenaars. Niets mis mee. Dat zijn die spreekwoordelijke blaffende honden die heus niet bijten.

Maar er is nog een tandje erger. Je hebt ook mensen die A zeggen en dan vervolgens B doen. Die mensen verrichten een daad die niet in overeenstemming is met het woord. De verrichter van de daad is dan niet getrouw aan zijn woord. Het zijn de types waar je moeilijk vat op krijgt. Ze kronkelen en verdraaien je woorden, de valse slangen. Ik stap liever in een kennel vol blaffende honden dan in een kamer waarin zich één valse slang bevindt.

Maar wat moeten we dan met dit gezegde: geen woorden maar daden? Die moeten we maar niet al te letterlijk nemen. We grijpen naar dit gezegde als er teveel woorden zijn uitgesproken terwijl er nog niets is gedaan. Zolang dit uiteindelijk leidt tot de beoogde daad, is er niets aan de hand. Er was slechts een tijdelijke daadzwakte, maar met de juiste pep talk kregen we de mekkerende schapen allemaal over de dam.

Honden, slangen, schapen. Hebben we ze dan allemaal gehad? Nou, ik weet er nog wel eentje. Deze wezens leven volgens het motto: geen daden maar woorden. Deze wezens zijn bijzonder vaardig met woorden. Net als de slangen, maar dan zonder daadkracht. Op de momenten waarop ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen, steken ze hun kop in het zand. In de politiek zie je ze maar al te vaak: struisvogels.

Zelf ben ik een man van woorden. Ik bouw er dammen mee.  

Dingetjes

Ik vraag: “Heb je nog iets met dat idee van jou gedaan?”.
Collega antwoordt: “Eh, tja, het is een beetje een dingetje geworden”.

Ai, heel vervelend, dingetjes. We hebben liever geen dingetjes. Als iets een dingetje wordt, of dreigt te worden, gaan teveel mensen er iets van vinden. Meningen raken verdeeld. Wat eerst heel eenvoudig leek, is uitgegroeid tot een complicatie.

Plotseling lopen er beren op de weg. Beren die jij weg wuift. Maar door je gewuif wordt het dingetje alleen maar groter. Het wordt steeds moeilijker voor je om het dingetje te blijven zien voor wat het eerst was. Je oorspronkelijke idee wordt steeds minder leuk. Het is niet meer helemaal jouw ding, zeg maar. 

 

Überhaupt raar eigenlijk

Wij hadden in München ooit een huisbaas die bij alles dat wij hem vroegen zei: “Das ist überhaupt kein Problem”. Herr Feitl heette deze beste man. Een rasechte Beier. Het Beiers is een heerlijk dialect. Ik krijg er zo’n lekker groezelig gevoel van. Ik krijg ineens trek in Erdinger (of Franziskaner) Hefe Weizen Bier met een verse, nog warme Pretzel. Herr Feitl sprak heerlijk Beiers en gebruikte het woordje “überhaupt” te pas en te onpas.

Ik werd hieraan herinnerd doordat onze zoon ineens met zijn neus uit zijn boek kwam en grinnikend aan me vroeg wat dit woordje, en hij wees het aan in zijn boek, nou toch weer betekende. Überhaupt, stond er. “Ja, dat is eigenlijk een heel vaag woord”, zei ik. Ik had er überhaupt nog nooit over nagedacht wat het woordje betekende, terwijl ik het ook te pas en te onpas gebruik. Dus ik vroeg me hardop af: “Ja, wat betekent übehaupt überhaupt?”. En toen was het plotseling bedtijd voor hem, dus zeiden mijn vrouw en ik min of meer in koor: “Zeg, heb jij überhaupt wel in de gaten hoe laat het is?”

Verbolgen dat zijn tijdrektaktiek niet had gewerkt slungelde onze zoon de trap op. Hij nam zich voor om morgen op school aan meester te vragen wat überhaupt eigenlijk betekent. Wel ja, wat weten ouders überhaupt ook over taal. Meesters en juffen genieten überhaupt meer respect van onze kinderen. In de klas blijken de kinderen überhaupt altijd oneigenlijk engelachtig te zijn. Kleine huichelaartjes zijn het. Thuis hangen ze hun aureooltjes aan de kapstok en plakken ze hun duivelshorentjes weer op hun guitige tronies. Blijkbaar maken ze op school hun gehoorzaamheid helemaal op, zodat ze thuis überhaupt niet meer te genieten zijn. Maar goed, ik moet überhaupt verdraagzamer worden. Gelukkig weet ik zeker dat ze het überhaupt niet persoonlijk bedoelen allemaal.

Blijkbaar kun je “überhaupt” zo’n beetje in elke zin gebruiken. Heeft “überhaupt” überhaupt nog een betekenis, of is het slechts een pedantig preekwoord. Teruglezend verliezen mijn zinnen nauwelijks aan betekenis als ik “uberhaupt” weg laat. Wel aan dynamiek en ritme. Überhaupt raar eigenlijk.

van de gezifte mugjes

Onnodig verontschuldigde iemand zich laatst tegen mij voor een gemaakt grapje. Hij is namelijk nogal van de geintjes, zo schreef hij. Zelf ben ik dat ook best, dus ik nam het hem in het geheel niet kwalijk. In een buitensportzaak vroeg iemand me ooit ook eens of ik van de grammetjes was, of toch meer van ’t comfort. Van geen van beide, zei ik, want ik ben namelijk nogal van de argwaantjes. Vooral bij verkopers, want die zijn vaak nogal van de gladde praatjes. 

Nu ben ik zelf nogal van de lettertjes, dus ik heb zoiets van: goh, wat een bijzonder taalgebruik eigenlijk. Het is een soort manier om luchtigheid in hetgeen je wilt zeggen te stoppen. Je klopt je zinnetje, als het ware een beetje op, zodat het makkelijker te verteren wordt voor jezelf of voor een ander. Een vent die bijvoorbeeld zegt dat ‘ie nogal van de vrouwtjes is, is dus meer óf juist minder van dat wat ‘ie zegt, afhankelijk van wie hij wil overtuigen: de ander, of zichzelf. Ik ben zelf aardig van de gezifte mugjes, maar onopgeklopt dus gewoon een aardige mierenneuker.

Fenomenaliteit

Wanneer ben je nou eigenlijk een fenomeen? Het betekent eigenlijk toch niet meer dan dat je iets kan dat observeerbaar is? Wat is daar toch zo speciaal aan? Iedereen is dan toch fenomenaal? Wat is dit voor vreemd verschijnsel, ja, fenomeen dat wij aan het woord “fenomeen” meer betekenis toekennen dan dat het letterlijk betekent? Komt dat omdat fenomenen geacht worden zeldzaam te zijn? Zijn, in die überbezeichniss, alleen dingen die je zelden tot nooit kunt observeren fenomenaal? Dat is toch eigenlijk bijna het tegenovergestelde van de letterlijke betekenis van “fenomeen”? Zijn fenomenen eigenlijk anomalieën? Zijn alleen uitzonderlijke verschijnselen fenomenaal? Zou je kunnen zeggen dat wij fenomenen dus eigenlijk niet normaal vinden? Zijn fenomenen abnormaal? Is fenomenaliteit dan ook een rekbaar begrip? Ik bedoel, kun je ook een beetje fenomenaal zijn? Kun je fenomenaliteit aanleren? En kan je je eigen fenomenaliteit vergroten? Bestaat het begrip “fenomenaliteit” überhaupt? Is er behoefte aan dat woord? Of is het een fenomenaal onzinnig woord? En waarom stel ik alleen maar vragen? Is dat wel normaal? Is dit sowieso niet de meest fenomenale flauwekul die je ooit hebt gelezen? Besef jij je zelf eigenlijk wel hoe fenomenaal je bent dat je dit leest?

Waar genomen

Rond de zomervakantie hoor of lees je vaak dit: Jaap neemt de zaken waar tijdens Kees’ vakantie. Of: Henk neemt Piet waar tijdens zijn afwezigheid.
Dit moet je niet al te letterlijk nemen natuurlijk, als met zoveel dingen die we zeggen. Taal is daar natuurlijk helemaal niet voor bedoeld. Henk gaat Piet heus niet achterna reizen om hem een beetje gade te slaan. Evenmin gaat Jaap alleen maar kijken en luisteren naar de manier waarop Kees’ zaken gaan tijdens zijn vakantie. Er wordt ook verwacht dat Jaap ingrijpt of aan stuurt wanneer het nodig is. Alhoewel het in de praktijk toch meestal blijft bij het houden van het oog in het spreekwoordelijke zeil.

Met het werkwoord waarnemen is sowieso iets aan de hand. Bij vervoeging valt het uit elkaar als een slechte relatie. Bijvoorbeeld: Ik nam waar. Hoe zit dat überhaupt? Wat zijn de grammatikale wetten hier? Stofzuigen is ook zo’n werkwoord. Is het nou “ik heb stof gezogen” of “ik heb gestofzuigd”? Ik zeg zelf altijd expres het laatste, omdat ik een principieel mannetje ben. Nu weer terug naar dat waarnemen. In de kantoorsfeer schuilt daar een sexuele intimidatieadder onder het anti-statische tapijt. Alleen notoire sexisten of naïve taalklunzen schrijven dat zij hun collega waar hebben genomen.

Goeie shit dat pogen!

Hé Meneer, wat doet u nou?
Ik poog, jongeman, ik poog.
Pogen, hihihi, wa’s dat nou weer?
Pogen is een edele bezigheid, jij kan het ook. Probeer het maar eens.
Ja doei, ik ga echt niet zitten pogen zeg. Wat heeft dat nou voor zin?
Pogen is de zin des levens. Leven is pogen en pogen is leven.
Wat bazelt u toch ouwe. Leven gaat vanzelf. Daar hoef je toch niks voor te doen?
Nee jongeman, geleefd wórden gaat vanzelf, zélf leven niet.
Wacht effe, dus iemand anders kan mij leven? Cool!
Nee, niet “cool” jongeman. Zij die worden geleefd, bestaan niet.
Huh, dus geleefd worden kán helemaal niet?
In tegendeel, het gebeurt maar al te vaak.
Meneer, ik snap er de ballen van.
Jongeman, het is echt heel eenvoudig: bepaal jij wie je morgen bent, of doet een ander dat?
Ja dùh, ik natuurlijk. En trouwens, ik ben altijd wie ik ben, morgen en over honderd jaar.
Dat zeggen allen die geleefd worden. Zélf leven is jezelf ontwikkelen. Pogen is ontwikkelen.
Jaaaa, ja. Dus van pogen wordt je, zeg maar, nog vetter. En eh… kun je dat leren, dat pogen?
Zoals ik al zei, je kunt het al lang. Iedereen heeft het in zich om te pogen. Gewoon een kwestie van doen.
Dus ik hoef er niet voor te leren?
Eh, juist, dat zeg ik.
Goeie shit dat pogen!

meligte

hoogte – hoogheid
droogte – droogheid
nattigte – nattigheid
stilte – stilheid
kilte – kilheid
moeite – moeiheid
schoonte – schoonheid
luwte – luwheid
lulligte – lulligheid
waarte – waarheid
zwaarte – zwaarheid
heette – heetheid
blijte – blijheid
vrijte – vrijheid
boete – boeheid
klote – kloheid
gelijkte – gelijkheid
apartte – apartheid
wijdste – wijdsheid
wijste – wijsheid
mafte – mafheid
lengte – lengheid
lenigte – lenigheid
menigte – menigheid
onenigte – onenigheid
slaperigte – slaperigheid
veelte – veelheid
eente – eenheid
grootte – grootheid
gemeente – gemeenheid
overte – overheid
zinlooste – zinloosheid
oppervlakte – oppervlakheid
narigte – narigheid
rijpte – rijpheid
verste – versheid
groente – groenheid
verte – verheid
nabijte – nabijheid
dichtte – dichtheid
constante – constanheid
onzinnigte – onzinnigheid
gete – geheid
afscte – afscheid
flauwte – flauwheid
meligte – meligheid