Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

De Klaut

Vanochtend op de radio kwam een reklamespotje (Exact) voorbij waarin ondernemers heel vanzelfsprekend werden aangemoedigd om ook te komen ondernemen in “de klaut”. Ik weet natuurlijk heel goed wat ze bedoelen, en er bekroop me een zeker gevoel van gene. Ik praat zelf ook al jaren mee over “de klaut” en zie er de voordelen op zich heel goed van in. Toch kijk ik zo onschuldig mogelijk als mensen mij vragen wat het inhoudt. Zo van: “ík heb het niet bedacht hoor”.

In het reklamespotje spraken ze “cloud” ook echt uit als “klaut”. Je moet natuurlijk “klaaaauwd” zeggen. Wellicht komt daar mijn gene ook een beetje vandaan. Alsof ik medeverantwoordelijk ben voor een stukje taalvervuiling. De ICT heeft onze taal in de loop der jaren al “verrijkt” met woorden zoals: backuppen, gamen, hacken, e-mailen, hyperlink en laptop. We hebben het ook allemaal heel vanzelfsprekend over e-readers en tablets. Dus daar kan “cloud” ook nog wel bij.

Het zou zelfs kunnen dat ik (in 1996 al) de basis van datgene wat we nu cloud noemen, wél heb bedacht. Toen besefte ik niet wat ik anno nu zou aanrichten. Ook daar kan mijn gene nog vandaan komen. Ik noemde het toen trouwens een “verspreid opslagsysteem”. Zeg nou zelf: “ondernemen in een verspreid opslagsysteem” klinkt toch veeeeel beter?… Zucht.

Infologie

Als iemand, bijvoorbeeld op een nieuwjaarsborrel, mij vraagt wat voor werk ik doe, dan zal ik argeloos antwoorden met: “ik zit in de ICT”. Daarmee doe ik bij volle bewustzijn gruwelijk afbreuk aan mijn beroep. Een vak waarvoor ik jaren heb gestudeerd en intussen al zo’n 20 jaar doe. 

Ik had ook “ik ben informaticus” kunnen zeggen, maar iets weerhoudt mij. Misschien is het bescheidenheid, maar waarschijnlijk is het gelatenheid. Gelatenheid over het feit dat aan informatica het stigma kleeft van brildragende bleekneuzen met vierkante ogen. Dus zeg ik altijd maar gelaten dat ik in de ICT zit.

Een meubelmaker zal niet zeggen: “ik zit in de meubelmakerij”. Nee, hij zal trots zeggen dat hij meubelmaker is. En daarop volgt een leuk gesprek over meubels en materialen. Mensen hebben een soort zwak voor ambachtelijke beroepen (ikzelf ook), dus daar kan ik niet tegenop. Mijn beroep is niet ambachtelijk, dus als ik zeg: “ik ben ICT-er”, krijg ik daarop vrijwel altijd een reactie zoals: “o, dan weet je vast veel van computers”,  waarop met een snelle blik de bleekheid van mijn neus wordt geverifieerd en het gesprek stopt. Mijn vak spreekt niet tot de verbeelding.

Informatici kunnen buiten hun vakgebied eigenlijk nauwelijks befaamd worden. Natuurkundigen wel. Denk aan Wilhelm Röntgen, Albert Einstein en Niels Bohr) Misschien zit ’t hem dus in “kundige”. Informatiekunde is volgens mij wel een tijdje in zwang geweest, maar heeft het blijkbaar niet overleefd. Niemand bezigt die benaming.

In beroepen die eindigen op “loog”, vind je ook vele beroemdheden. Zoals bioloog (Charles Darwin), archeoloog (Howard Carter), paleontoloog (Mary Anning) en psycholoog (Sigmund Freud).  Misschien helpt het daarom om het vak “informatica” voortaan “infologie” te noemen. Wie er in is afgestudeerd mag zich dan “infoloog” noemen. In het Engels wordt het dan helemaal sexy: infologist.

Ik zie het al voor me:
“Wat doe je voor werk?”
“Ik ben infoloog!”
“O? Wat interessant, daar heb ik nog nooit van gehoord. Wat doe je dan precies als infoloog?”
“Ik breng momenteel de infologie van de energiewereld, nou ja, een deel daarvan, in kaart zodat er een beter inzicht ontstaat in de de dynamiek van algehele infonomie en van de infotopen binnen die wereld.”
“Jeetje, wat gaaf zeg! Dat klinkt erg spannend. Wat ontdek je zoal?”
“Nou, onlangs heb ik binnen zo’n infotoop toevallig een tot nog toe onbekend infonisme ontdekt!”
“Serieus? Gefeliciteerd! Een infonisme, zei je? Eh.. ”
“Infonismen komen voort uit onzuivere algoritmen, en zijn beter bekend als ‘bugs’
“Ah, dus infologen speuren naar bugs?”
“Ach, in het begin van je carrière wel. Mijn ontdekking van laatst was louter toevallig. Ik hou me nu vooral bezig met beleid en strategie ter voorkoming van onzuivere algoritmen binnen de infotopen”

Je begrijpt het, ik verheug me op de komende nieuwjaarsborrels.

Kippevel

Ja eigenlijk is het kippenvel, maar dat klopt gewoon niet qua gevoel. Die extra ‘n’ moet maar gewoon een stomme (onuitgesproken) ‘n’ zijn dan. Dat geldt ook voor panne(n)koek en miere(n)neuker. Niemand spreekt die ‘n’ uit. Bovendien heeft die extra ‘n’ een soort dovende werking op de lading van het woord. Als ik iemand uitmaak voor “pannuNNNkoek”, heeft dat een minder beledigend effect dan “Pannuh-koek”. 

Zo geeft kippeNNNvel bij lange na niet de sensatie die kippuh-vel geeft. Kippevel kan een prettige tinteling zijn die ergens in je nek begint, langs je oren naar je slapen kruipt en dan razendsnel langs je hele ruggegraat naar beneden schiet. Dat soort kippevel krijg ik als ik vol bewondering schiet over iets dat ik zie, of hoor, of zelfs alleen maar aan denk. Als ik Sven Kramer alweer een seconde van zijn ronde tijd af zie schaatsen bij de 10 kilometer, krijg ik dit soort kippevel. Het prachtige “Private Investigations” van Dire Straits bezorgt me telkens weer dit type kippevel.

En toen ik vanochtend mijn eigen voetbaltoppertje een hartstikke goeie kopbal zag maken, kreeg ik het ook. Een hele vette kippevel over mijn hele lijf. Dat zijn de allerlekkerste. Als ik mijn ogen sluit en die kopbal weer aan de binnenkant van mijn ogen afspeel, krijg ik het weer. Zaaaaalug. Dit soort kippevel is heerlijk en doet je van binnen opgloeien. Kippuh-vel, wel te verstaan. KippeNNNvel laat me niet gloeien. 

Kippevel kun je ook krijgen als je schrikt, of als je een gevoel van onbehagen bekruipt. Dat is heel ander soort kippevel. Dit soort kippevel voel je tot in je ruggemerg en tot in je botten. Brrrr. Vermeende ontmoetingen met spoken geven mij dit soort kippevel. Vrees voor je leven geeft je dit soort kippevel. Al je haren over je hele lijf staan dan overeind en je voelt je ijskoud. Je bent op je hoede en voelt je alles behalve op je gemak. KippeNNvel doet dit niet met je. Bij lange niet.

Weet je wat kippeNNNvel is? Dat is dat vieze, vette, kledderige velletje dat ik van de kippenpoot afpeuter met mijn vork, als dat velletje niet lekker knapperig is geworden. Om van te griezelen. En dat is dus een heel andere sensatie.

 

daar niet van

Wat ik ervan vond? Gut, ik vind het aardig dat je het me vraagt, daar niet van, maar waarom wil je het weten? Denk je dat ik me niet vermaakt heb soms? Nou heb ik me opzich wel vermaakt hoor, daar niet van, maar ik had me er iets anders bij voorgesteld denk ik. Niet dat je het niet duidelijk uitgelegd hebt allemaal, daar niet van natuurlijk hè. Je weet wel hoe dat is bij mij met dat soort dingen, toch? En ik verwijt jou ook helemaal niks, daar niet van hoor. Het is gewoon dat ik niet zo van dat soort dingen ben. Niet dat er iets mis mee is hoor, daar niet van! Ik heb er gewoon niets mee, snap je? Dat snap je toch? Ja toch? We kennen mekaar ook al zo ontzettend lang. Niet dat ik denk dat je nooit iets snapt van mij hoor, daar niet van. En het gaat het er toch om dat jij het naar je zin hebt gehad, toch? Begrijp me niet verkeerd hoor, ik meen dat echt. Niet dat je mij ooit verkeerd begrijpt hoor, daar niet van natuurlijk.

Hoe te neuzelen

Je neus volgen, met je neus kijken, tussen neus en lippen, iets aan je neus hangen, een neus voor iets hebben, je neus ophalen, doen alsof je neus bloedt, iemand bij de neus nemen, iets aan je neus voorbij laten gaan, de neuzen in dezelfde richting krijgen en met je neus in de boter vallen. Er zijn er nog veel meer. Geen lichaamsdeel dat zoveel wordt gebruikt in onze taal als de neus.

Je kunt dan ook moeilijk om de neus heen. Hij zit nogal prominent op onze aangezichten en is een erg veelzijdig orgaan. Het kan snuiven, snuffelen en snotteren. Je kunt het in boeken en andermans zaken steken. Je kunt er mee neuzen in archieven, bibliotheken en curieuze winkeltjes. Het is onze fijnste keurinstrument. En je kunt heerlijk neusie-neusie doen met een ander, ik stel zelfs voor dat we die vreselijke 3-wangzoen hierdoor gaan vervangen.

“Wat een zinloos gewauwel!”, zul je nu wellicht denken, en “Heeft die blogger niks beters te doen dan een beetje ouwehoeren over het reukorgaan?”. Ja, haal je neus er maar voor op. Dat is de gebruikelijke reactie. Dit fenomeen heet “neuzelen” en is helemaal niet moeilijk. Iedereen kan het en jij ook (alhoewel…). Om te neuzelen hoef je alleen maar eindeloos en nasaal te wauwelen over een ongelooflijk suf onderwerp dat niemand ene moer interesseert. In alle bescheidenheid durf ik te beweren dat ik er zelfs bijzonder goed in ben. En dat je dit nog leest zegt wel veel over jezelf hoor 😉

hoe ‘m te knijpen

“Nou, ik knijp ‘m wel hoor” is een algemeen gebezigde uitdrukking. Ik vraag me er altijd het volgende bij af: wát dan? Het is namelijk nogal onspecifiek en dat stuit me tegen de borst. Wat wordt er geknepen? 

Misschien is er een reden dat het onspecifiek is. Misschien wil ik helemaal niet weten wat er geknepen wordt. ‘m kan natuurlijk vanalles zijn. Kijk, ik snap dat er sprake is van angst. Je kunt bang zijn in allerlei gradaties: van een licht gevoel van onbehaagelijkheid tot het schijten van zeven kleuren stront in je broek (zeven ja, er bestaan waarschijnlijk niet zoveel kleuren stront).

Dus “‘m knijpen” is dus eigenlijk in het midden laten hoe bang je precies bent. Je moet dan bijvoorbeeld als martelaar op lichaamstaal en je neus afgaan om te bepalen hoe bang de uitspreker van de uitdrukking, de gemartelde, is. Deze legt ook altijd sterk de nadruk op “knijp”. Wat de suggestie wekt dat ‘m ook anders behandeld zou kunnen worden, maar dat gezien de huidige gemoedstoestand de voorkeur wordt gegeven aan knijpen. Allemaal vaagheden waar je als martelaar niet zoveel mee kan.

Maar wacht es even, ik vat ‘m (vraag me niet wat precies, ik hou dit graag vaag): angst beïnvloedt blijkbaar de zindelijkheid. Ofwel, bij verhoogde angst vermindert het knijpvermogen van je sluit- en bilspieren. Dus als iemand zegt: “ik knijp ‘m”, geeft deze aan zich bewust te zijn van aangespannen sluit- en bilspieren ter voorkoming van het bevuilen van het ondergoed. Volkomen logisch eigenlijk. Dus martelaren doen er verstandig aan de aanspanning van sluit- en bilspieren te controleren om zich een goed beeld te vormen van de mate van angst die zij teweeg brengen. Buitengewoon praktisch toch? Zeg nou zelf…

Hoe te popelen

Popelen. Dat is een werkwoord dat, als je het heel vaak achter elkaar zegt, op je lachspieren gaat werken. Popelen doe je vanuit een soort acuut gebrek aan geduld. “Ik popel om te beginnen”, zegt iemand die niet kan wachten om te beginnen. Popelen betekent dus “niet kunnen wachten”.

Het is een gek werkwoord, want eigenlijk doe je helemaal niks als je popelt. Je bent vaak wel druk als je popelt. Heel druk met niet kunnen wachten. Van binnen gloeien en jeukende handen zijn de bijwerkingen. Gek genoeg kun je niet op commando popelen, zo van: “Hee, jij daar! Ja jij daar met je zielige kop. Ga onmiddellijk popelen! Nou? Komt er nog wat van?” Dat gaat averechts werken dus.

En als je in de gelukkige omstandigheid verkeert te popelen, dan valt het ook niet onmiddelijk op. Mensen merken het niet echt. Hebben er ook geen last van voor zover ik weet. Je hoort nooit dat mensen zich eraan ergeren als een ander popelt. “Potverdorie, wat zit jij ontzettend te popelen zeg! Schei es uit! Weet je wel hoe irritant dat is? Hè?”

Popelen doe je ook niet vrijwillig. Het overkomt je. Net als bij twijfelen, treuzelen, hopen, vallen of schrikken. Je gaat immers niet zomaar voor je lol even lekker twijfelen, treuzelen, hopen, schrikken of vallen, toch? Hoewel vallen een twijfelgeval is waarbij schrikken een handige bijwerking zou kunnen zijn, maar dat terzijde.

Popelen is in ieder geval wel altijd positief, volgens mij. Wie popelt barst van verlangen om te beginnen te doen waar je je zo op verheugt. We popelen om in een nieuwe baan te starten, we popelen om onze geliefden weer te zien, we popelen om op reis te gaan, noem het maar op.

Popelen is dus fijn. Ja, het is misschien wel iets waar je naar zou kunnen verlangen. Dus dat je als het ware popelt om weer es te popelen. En daar ligt de sleutel tot “vrij popelen”. Popelen wanneer je er zin in hebt dus. Het zal waarschijnlijk wel een beetje hol voelen dat vrije popelen, maar misschien baart oefening ook hier kunst. Nou, waar wacht je nog op? Hup, popelen geblazen!

van gisteren

– jaaaa, die is óók niet van gisteren hoor
– hoezo, óók niet?
– nou gewoon, omdat het niet normaal is
– wát is niet normaal?
– van gisteren zijn natuurlijk!
– mag je niet van gisteren zijn dan?
– nee slimmerd, dat probeer ik je dus duidelijk te maken!
– van wanneer mag je dan wel zijn?
– wat bedoel je?
– nou, mag je bijvoorbeeld wel van éérgisteren zijn? of van vorige week of vorige maand?
– eh, wat?
– ik bedoel of het alleen om gisteren gaat
– eh, ja, ‘k geloof het wel, maar eh…
– dus als je van gisteren bent hoef je alleen maar tot morgen te wachten om weer normaal te worden?
– hè, wat bazel je nou man??
– laat maar, morgen snap je het wel

Tussen de middag

Een middag bestaat blijkbaar uit twee helften. Je kunt er namelijk iets tussen doen. Een boterham bijvoorbeeld. Ja, eigenlijk bedoelen we met “tussen de middag” een periode tussen de ochtend en de middag. In Nederland begint de ochtend ergens tussen half 6 of  6 uur, en eindigt om 12 uur.  Daarna begint in Nederland (en ook Vlaanderen) de middag, welke doorloopt tot circa 18 uur. In Vlaanderen duurt de ochtend daarentegen maar een half uurtje: van  9 uur tot half 10. Gelukkig hebben ze in Vlaanderen ook nog een voormiddag (van half 10 tot 12 uur).

Wij Nederlanders hebben tussen de ochtend en de middag dus officieel geen periode. Immers, de ochtend en de middag sluiten naadloos op elkaar aan. En tóch hebben wij een tussen de middag die geen tussen de middag is. Tussen de middag bestaat eigenlijk niet. Eigenlijk is het een “tussen de ochtend en de middag”. De lengte van die periode is nergens opgeschreven, maar het is in ieder geval lang genoeg om een boterhammetje in weg te kanen, of een appeltje weg te knagen.

Taalkundig gezien is “tussen de middag” natuurlijk sowieso een gedrocht. Net als “tussen de deur” overigens. Het woordje “tussen” heeft altijd tenminste twee meewerkende voorwerpen nodig. En tussen die delen dient ruimte te zitten zodat het onderwerp er tussen kan. De grammatica is er glashelder over. Maar in de volksmond is al die grammatica maar onhandig, dus lopen we de kantjes eraf. ’t Is een rommeltje. Wedden dat ze in Duitsland geen “zwischen dem Mittag” hebben? Ook “between the afternoon” is utter nonsense. I rest my case.