Mens

Brulkotser

Natuurlijk ben ik in alles koelbloedig, maar niet als het om kotsen gaat. Een ander zien kotsen heb ik niet zoveel moeite mee opzich. Mijn maag draait er zich niet voor om. Ik ruim regelmatig de kots van mijn gezinsleden op. No problem.

Het wordt pas een probleem als ik zelf moet kotsen. Kotsen gaat me bijzonder moeilijk af. Misschien moet ik het vaker oefenen ofzo. Ik heb ook nauwelijks een kokhalsreflex. Ik zie mijn kinderen altijd argeloos kotsen. Het floept er gewoon uit. No big deal.

Nu wordt ik gelukkig niet vaak misselijk, maar soms, heel soms (eens in de 10 jaar), dan wordt het ook mijn doorgaans heel robuuste maag teveel. En dan begint het gevecht met mijn hoofd. Die is namelijk de baas over mijn lijf, denkt ‘ie. Mijn hoofd is van de stellige mening dat mijn slokdarm een strikte eenrichtingsverkeersroute betreft.

En als mijn maag daar anders over denkt, heeft het pech en zal het een enorme strijd moeten leveren om de controle over mijn lijf van het hoofd tijdelijk te kunnen overnemen. En als mijn maag mijn hoofd dan heeft overruled, dan verzet toch nog mijn hele lijf zich tegen de wil van mijn maag. Het kronkelt en spartelt. Zelfs mijn stembanden protesteren, want ze brullen het uit als de kotsvloed er langs komt.

Door die gigantische strijd tussen mijn lijf en mijn maag komt het er onder zulke hoge druk uit dat ik de rand van de toiletpot goed moet vasthouden, want anders kots ik mezelf tegen het plafond. Het spuit uit alle gaten in mijn gezicht. Als de maag dan eindenlijk leeg is (wat altijd tergend lang duurt zodat ik altijd in ademnood raak) dan voel ik daar de opluchting heel goed. De egoist. En wie kan de rotzooi opruimen? Juist.

Ik begrijp daarom ook niet waarom we kotsen ook wel “overgeven” noemen. Op mij is het in ieder geval niet van toepassing. Ik heb zo’n hekel aan kotsen dat ik me er niet aan kan overgeven. Het resultaat is dat ik na een geslaagde machtsovername van de maag totaal ben afgemat. Alle spieren doen me zeer en mijn stembanden lijken wel gezandstraald. Ik ben een brulkotser. Toch typerend.

Woorden en daden

Daadkracht dat is, zeg maar, je capaciteit om daden te verrichten. Het maakt niet zoveel uit of het goede of slechte daden zijn. Hoe groter je daadkracht, des te makkelijker je overgaat tot daadverrichting. Koelbloedige moordenaars zijn dus bijvoorbeeld behoorlijk daadkrachtig. Daar worden ze vaak dik voor betaald. Net als topmanagers eigenlijk. Die worden ook geselecteerd op hun daadkracht. Een topmanager hakt los op lastige knopen en een moordenaar hakt er, zeg maar, ook op los.

Daden gaan vaak gepaard met woorden. Eerst is er dan het woord en vervolgens wordt daar een daad bij gevoegd. Zo gaat dat. De daad is de bekrachtiging van het woord. Je hebt mensen die aan 1 woord genoeg hebben om tot de bijbehorende daad over te gaan. Anderen hebben iets meer woorden nodig. Zolang ze de daad maar bij die woorden voegen vertonen ze een bepaalde mate van daadkracht. Daadkracht heb je dus in gradaties.

Mensen die zeggen dat ze iets gaan doen, maar vervolgens de daad achterwege laten, ontberen blijkbaar de moed om die daad te verrichten. Die zou je daadzwak kunnen noemen. Doe mij maar daadzwakke moordenaars. Niets mis mee. Dat zijn die spreekwoordelijke blaffende honden die heus niet bijten.

Maar er is nog een tandje erger. Je hebt ook mensen die A zeggen en dan vervolgens B doen. Die mensen verrichten een daad die niet in overeenstemming is met het woord. De verrichter van de daad is dan niet getrouw aan zijn woord. Het zijn de types waar je moeilijk vat op krijgt. Ze kronkelen en verdraaien je woorden, de valse slangen. Ik stap liever in een kennel vol blaffende honden dan in een kamer waarin zich één valse slang bevindt.

Maar wat moeten we dan met dit gezegde: geen woorden maar daden? Die moeten we maar niet al te letterlijk nemen. We grijpen naar dit gezegde als er teveel woorden zijn uitgesproken terwijl er nog niets is gedaan. Zolang dit uiteindelijk leidt tot de beoogde daad, is er niets aan de hand. Er was slechts een tijdelijke daadzwakte, maar met de juiste pep talk kregen we de mekkerende schapen allemaal over de dam.

Honden, slangen, schapen. Hebben we ze dan allemaal gehad? Nou, ik weet er nog wel eentje. Deze wezens leven volgens het motto: geen daden maar woorden. Deze wezens zijn bijzonder vaardig met woorden. Net als de slangen, maar dan zonder daadkracht. Op de momenten waarop ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen, steken ze hun kop in het zand. In de politiek zie je ze maar al te vaak: struisvogels.

Zelf ben ik een man van woorden. Ik bouw er dammen mee.  

De schaamteloze flierefluiter

O flierefluiter met je uitgetogen noten. Zo vrij als jij over de straten schalt. Rijkelijk strooi jij met puur geluk. Voor iedereen.

Ik benijd je, want ik kan wel fluiten maar niet flieren. Zo graag als ik gewoon eens met zo’n gelukzalige glimlach op mijn gezicht luid lallend door de straten zou willen durven huppelen. Maar ik ga liever gewoon dood dan van schaamte. 

Geremd ga ik door mijn leven. Banden zijn om netjes binnen te blijven. Eruit springen is doodgriezelig. Met stiekeme bewondering kijk ik, conformerend hoofdschuddend de flierefluiters na en zeg hardop: “wat een loser”, maar intussen stink ik van inwendige jaloezie. 

Toch leuk

De kunstkenner bespreekt een soort plat, beschilderd kistje met de dame die het heeft meegebracht. Het ding zweeft nog ergens tussen kitsch en kunst. Likkebaardend luistert de dame naar de kenner. Die kenners hebben overigens verdacht vaak namen die bij hen passen. Zoals Jan Vaassen (fictief), de expert op het gebied van Chinese Vazen.

“Wat een leuk kistje”, zegt de kunstkenner tegen de dame, die hoopvol meeknikt, maar bij dat “leuk” ook een lichtelijk nerveuze grimas trekt. “Van mijn betovergrootvader’s betovergrootmoeder geweest”, zegt de dame voor de zekerheid. “Leuk”, zegt de kenner. De dame knippert bij “leuk” met haar ogen. “Echt leuk”, herhaalt de kenner. Knipper-knipper-grimas, doet de dame.

De kenner keert het kistje om, zoekend naar een indicatie van enige waarde. Dat het ding op TV wordt uitgezonden is al een indicatie van opmerkelijkheid. Aan de achterkant is niets te zien dus wordt de voorkant weer naar de camera gedraaid. “Echt een grappig object”, zegt de kenner, “want het is helemaal geen doosje”. Hij schuift het deksel open en er verschijnt een schilderijtje. “Kijk, wat leuk, het is een verstopt kunstwerkje”. Bij deze “leuk” trekt de dame een gezicht alsof ze net een hap uit een citroen nam. 

“Het is natuurlijk geen schilderij, dus zo mogen we het ook niet waarderen”, zegt de kunstkenner. De dame schudt zachtjes met haar hoofd. Haar schouders hangen naar beneden. Alle hoop is verloren. Haar voorwerp blijkt kitsch te zijn. “Maar je ziet ze zo niet vaak”, zegt de kenner. De dame veert op. Haar ogen staan plotseling heel fel. Dat waarvoor ze is gekomen gaat ze nu te horen krijgen. De eurotekentjes worden al in haar begerige ogen zichtbaar. “Ja, echt een leuk ding. Heel leuk”. Bij iedere “leuk” vertrekt weer haar hele gezicht. En dan komen de verlossende woorden: “ik schat dit lollige ding toch in op een waarde van 1500 euro”. De dame kijkt zuur, heel zuur. Het valt duidelijk tegen en ze zegt, zoals de meesten die in het TV-programma voor de camera mogen: “nou, tóch leuk”.

Welvaartsjunkie

In Tokio wonen bijna net zoveel mensen als in heel Nederland, maar dan op een oppervlakte dat 66 keer in Nederland past. Per jaar heeft de gemiddelde Tokio-inwoner in totaal minder dan 60 seconden geen stroom. Volkomen onacceptabel natuurlijk. Er wordt uiteraard nergens zo veel geklaagd over stroomuitval als in Tokio. Jezus, laatst had ik minstens 2 seconden geen licht! Ik dien een vette klacht in!

In Nederland moeten we dan weer blij zijn met een ridicule 25 minuten stroomuitval gemiddeld per persoon per jaar. Belachelijk! Dat kan, nee dat moet beter. Ik bedoel: Tokioooo. Ja? Kan me niet schelen dat alle andere Europese burgers gemiddeld langer zonder stroom zitten ja!

In Congo mag je blij zijn als er eventjes stroom is. Maar liefst 35 uren per jaar zit de gemiddelde Congolees zonder stroom. Het komt geregeld voor dat je daar dagen lang geen stroom hebt. Niemand neemt daar voor lief dat er stroom uit het stopcontact komt. Maar áls het er is, dan is het feest!

En zo is het toch eigenlijk met alles? Luxe is maar eventjes luxe. Je wentelt je er drie keer in om en je begint je af te vragen of dit alles is. Welvaart went. Je wilt er steeds meer van hebben en je geniet er steeds minder van. Face it, jij bent waarschijnlijk ook een welvaartsjunkie. En nu moet ik dit snel op mijn blog zetten voor de stroom weer uitvalt. 

Goeie shit dat pogen!

Hé Meneer, wat doet u nou?
Ik poog, jongeman, ik poog.
Pogen, hihihi, wa’s dat nou weer?
Pogen is een edele bezigheid, jij kan het ook. Probeer het maar eens.
Ja doei, ik ga echt niet zitten pogen zeg. Wat heeft dat nou voor zin?
Pogen is de zin des levens. Leven is pogen en pogen is leven.
Wat bazelt u toch ouwe. Leven gaat vanzelf. Daar hoef je toch niks voor te doen?
Nee jongeman, geleefd wórden gaat vanzelf, zélf leven niet.
Wacht effe, dus iemand anders kan mij leven? Cool!
Nee, niet “cool” jongeman. Zij die worden geleefd, bestaan niet.
Huh, dus geleefd worden kán helemaal niet?
In tegendeel, het gebeurt maar al te vaak.
Meneer, ik snap er de ballen van.
Jongeman, het is echt heel eenvoudig: bepaal jij wie je morgen bent, of doet een ander dat?
Ja dùh, ik natuurlijk. En trouwens, ik ben altijd wie ik ben, morgen en over honderd jaar.
Dat zeggen allen die geleefd worden. Zélf leven is jezelf ontwikkelen. Pogen is ontwikkelen.
Jaaaa, ja. Dus van pogen wordt je, zeg maar, nog vetter. En eh… kun je dat leren, dat pogen?
Zoals ik al zei, je kunt het al lang. Iedereen heeft het in zich om te pogen. Gewoon een kwestie van doen.
Dus ik hoef er niet voor te leren?
Eh, juist, dat zeg ik.
Goeie shit dat pogen!

Middernisme

Ik heb niks met minimalisme. Less is gewoon echt less en meer niet. Dat je dan zo’n enorme villa op TV ziet met zo’n kil, wit interieur met hier een daar een essentialistisch simplistisch meubelstuk waar je oog wel op móet vallen omdat er gewoon niks anders ís om naar te kijken. In zekere zin is less dan weer wel more, maar vooral more money. Dat bedriegelijk simpele meubelstuk kost namelijk een fortuin. Minimalisme is eigenlijk een extreme vorm van protserigheid.

Ik heb ook niks met het andere uiterste. Ik noem dat dan maar even maximalisme. Dat is bijvoorbeeld een tuintje van 10 vierkante meter vol zetten met 80 tuinkabouters. Het is ook je Opel Corsa pimpen met zo’n stofzuiger onder je gril, zo’n taartschep achterop en een 1000 watt subwoofer in je kofferbak. In Baltimore MD heb je iedere Kerst “The Miracle on 34th Street” (ik heb het ooit zelf gezien). Dat is een dusdanig uit de hand gelopen kerstverlichtingsgekte dat heel de VS het massaal komt bekijken. Dat is übermaximalisme, too much, maar goed, daar zijn de Amerikanen dan ook erg goed in. Maximalisme is ook een extreme vorm van protserigheid.

Dan kom ik qua smaak dus automatisch uit op iets dat er tussenin zit. Gewoon een kwestie van proporties eigenlijk. Ik voel me niet gemakkelijk bij extremiteiten. Geen fratsen dus. Gewoon gewoon is al gek genoeg. Al die franje heb ik niet nodig en dat typeert me.

Ooit liet ik me eens overhalen tot de aanschaf van knalrode schoenen met gele veters (die staan je echt heel goed, schat…). Ze zaten heerlijk, maar iedereen keek steeds naar mijn schoenen. Ik droeg ze om Calvinistische beweegredenen: ze waren te duur om in de kast te laten staan. Later zag ik eens iemand met diezelfde schoenen lopen. Hij droeg ook een kanariegele broek, een witte koltrui met daar overheen een vuurrood colbert. Verder was hij zwaar opgemaakt en droeg hij een appelgroene oversized Alpinopet op zijn hoofd. Natuurlijk had zijn Chiwawa een matching outfit. Mijn rode schoenen pasten bij dat extravagante maximalisme, en niet bij mijn afgemeten middernisme.

voor jou

voor jou
bestorm ik donkere wolken
en leid de bliksem
langs mijn ruggegraat

voor jou
overbrug ik oceanen,
bestijg ik bergen
op blote voeten

voor jou
beweeg ik de hemel
en breng de wereld
op haar knieën

voor jou
verlies ik mijn gezicht
en tast in het licht
van jouw wijsheid

voor jou
open ik mijn ogen
en laat alles varen
in hete tranen

Rotsvaste liefde

Het ouderlijk huis. Dat is iets dat je in je jeugd en je eerste stappen richting volwassenheid ervaart als een veilige, rustige haven waar je altijd mag aanmeren aan je eigen aanlegsteiger. Wat er ook gebeurt in je leven, de haven van je ouders is rotsvast. Er verandert nooit iets in die haven. De tijd staat er stil. Ik hecht daaraan. Het is mijn ideaal. Het is het baken waarop ik me oriënteerde in mijn zoektocht naar mezelf.

Mijn ouderlijk huis brak in tweeën toen mijn ouders gingen scheiden. Ik was al lang het huis uit, en ik kwam al lang niet meer ieder weekend de was doen. Mijn beide ouders gingen nieuwe levens aan waarin niets hetzelfde bleef. Alle vastheid waar ik zo aan hechtte was zoek. Natuurlijk steunde ik mijn ouders in hun zoektocht naar hun nieuwe geluk, maar ik was intussen wel mooi mijn aanlegsteiger kwijt. En mijn baken.

Ik had wel helemaal losgeslagen kunnen raken. Afgedreven naar ik weet niet waarheen. In zekere zin sloeg ik ook even helemaal los, maar ik vond mijn eigen koers. Ik vond ook mijn grote liefde, compleet met een intact ouderlijk huis. De aanlegsteiger van mijn lief was groot genoeg voor ons tweetjes, en bleek ook groot genoeg voor ons zesjes. Die zalige onveranderlijkheid van mijn schoonouderlijk huis. Zelfs de planten groeiden er niet. Heerlijke vanzelfsprekende vastheid. Ik hecht daar zo aan.

Mijn schoonvader had een praktijk aan huis. Ook voor de tandarts meerden we aan bij onze aanlegsteiger. Schoonpa werd Opa. Mijn kinderen zijn stapelgek op hem. Maar Opa tandarts gaat met pensioen. De tijd schrijdt onverbiddelijk voort. De praktijk werd verkocht. Ineens is hun huis mijn schoonouders veels te groot. Zonder pardon werd het te koop gezet. Hoe kunnen ze! Daar gaat mijn fijne aanlegsteiger weer. Ik was er zo aan gehecht.

Ik haat verandering. Toch ben ik over de hele wereld verhuisd en heb vele banen gehad. Ik ben nog wel steeds samen met mijn lief. Samen hebben we vier schitterende kinderen. Ik wil ze vastheid geven. Heel veel vastheid. Vastheid van ouderlijke liefde. De puurste liefde die bestaat. Ik moet al mijn ankers uitgooien. Voor goed. Zodat mijn losgeslagen schip rotsvast komt te liggen. Een diep verankerd startblok voor mijn kinderen om vandaan te sprinten. Iedere keer opnieuw. Een baken op de woelige baren van hun eigen zoektocht naar zichzelf. Toe maar. Ga maar. Ik blijf hier. Voor altijd.

De verwarring

In het trappenhuis van de parkeergarage liep een oude vrouw me voor de voeten terwijl ik me van de 6e etage naar beneden probeerde te haasten. De vrouw leek bij iedere stap te moeten nadenken welke voet ze nu op de volgende trede ging zetten. Het ging op een nogal dood akkertje. Hoewel ik haast had, bleef ik toch maar geduldig.

Opeens draaide de vrouw haar gezicht naar me toe en keek me verbijsterd aan. Ze zei, op ietwat geërgerde toon: ” ’t Is hier toch wél licht hè meneer?”. Ik keek haar een beetje meewarig aan – althans, dat denk ik, maar ik kon mijn eigen gezicht natuurlijk niet zien – en opende en sloot mijn mond. De vrouw had haar gezicht al weer naar beneden gewend en strompelde maar weer verder naar beneden. Ik dacht: “Hoezo licht?” en: “Waarom toch wél?”. Ik begreep de hele vraag niet. Ik kon er ook alleen maar “ja” op antwoorden, want het trappenhuis baadde in zonlicht dat door grote ramen naar binnen viel. Wat wilde het mens toch van me met die vraag.

Toch moest ik iets terug zeggen. De vrouw was duidelijk een beetje in de war. Ineens vroeg ik me ook af of ze misschien hulp nodig had. Wat moest een oude, verwarde vrouw op de 6e etage van een parkeergarage? Oude verwarde mensen horen in verzorgingstehuizen. Misschien was deze mogelijk dementerende vrouw wel uit haar tehuis ontsnapt en in haar verwarde beleving naar haar werk gegaan. Ik moest dus iets doen. Even overwoog ik om terug naar boven te rennen om te kijken of haar verplegers daar misschien nog liepen te zoeken, maar ik kon deze mevrouw maar beter niet alleen laten.

Deze hele gedachtengang duurde hooguit 2 seconden, maar voelde heel weloverwogen aan en ik besloot om het enige juiste te doen. Ik ging mee in het verwarde wereldbeeld van de vrouw, opdat ik haar er misschien toe zou kunnen bewegen om naar het verzorgingstehuis terug te gaan of om op zijn minst mee naar het politiebureau te gaan. Dus ik zei: “Ja, het is hier wél licht ja”. De mevrouw draaide zich terstonds om en glimlachtte vriendelijk: “Nee, een lift! Weet u misschien waar de lift is, want naar beneden lopen gaat nog wel, maar naar boven niet hoor!”. Daar viel mijn hele analyse aan diggelen. Verdwaasd keek en wees ik vagelijk in de richting van de achterzijde van de parkeergarage. “Aan de achterkant, maar dat is een aardig eind lopen hoor”, mompelde ik. Hoofdschuddend vervolgde de vrouw haar moeizame afdaling. “Wat een verwarde vogel”, moet ze hebben gedacht.