Ergernissen

geüpdatete van Dale

geupdatet

15 Apps geüpdatet, meldde vandaag mijn slimme telefoon. Dit bevreemdt mij al een tijdje. Volgens van Dale is updaten een Nederlands woord, en is de voltooide tijd daadwerkelijk  “geüpdatet”. Het is ook volkomen logisch als je het ontleedt: updaten is een zwak werkwoord. De stam van updaten is “update”. Hoewel de laatste letter een klinker is, gaat toch de regel van ’t kofschip op , en moet je voor de verleden tijd stam + “te” gebruiken, ofwel “updatete”  (net als bij “douchen”, “crashen”  en “racen”).  De voltooide tijd wordt dan dus “ge” + stam + “t”, dus jawel: “geüpdatet” (en er moet natuurlijk een trema op de u).

Geüpdatet is dus grammaticaal correct Nederlands, maar je moet het  wel uitspreken als “ge-up-deet”. Om ’t kofschip te kunnen toepassen moesten we al uitgaan van hoe we “update” uitspreken, dus “updeet”, in plaats van hoe we het spellen, en nu moeten we bij de uitspraak van “geüpdatet” de volgens dit ezelsbruggetje toe te voegen “t” niet laten horen.  Wat een misbaksel! Dat krijg je van hinken op twee talen!

Wat mij betreft gebruiken we dit gedrocht niet. Van mij mag “updaten” per ommegaande uit het Nederlands worden gedeletet (jakkes, nog zo’n draak). Er zijn prima alternatieven voor updaten: verversen, bijwerken en desnoods actualiseren, maar dat is ongetwijfeld ouderwets. Waarschijnlijk zal het niet lang duren of “liken” is ook een officieel Nederlands werkwoord: Ik like, ik likete, ik heb geliket. Nog zo’n toekomstige kandidaat is “raten”.

Ik moest hierdoor ook denken aan het werkwoord “stofzuigen”. Ik stofzuig, ik stofzuigde, ik heb gestofzuigd. Ook best een vreemde eend in de bijt. Ik vraag me al jaren af waarom het werkwoord “schroevendraaien” dan geen bestaansrecht heeft. Ik schroevendraai, ik schroevendraaide, ik heb geschroevendraaid.  Ik controleer het regelmatig, maar het staat nog steeds niet in de van Dale. Als van Dale komt met een app die me automatisch informeert wanneer de van Dale weer is geüpdatet, dan wordt dat door mij meteen geliket en geratet met minstens 4 sterren.

Programmeuse versus Programmeur

Onlangs las ik op Nu.nl dat vrouwen beter in programmeren zijn dan mannen. Toen ik het las, dacht ik: nogal wiedes. Jaren geleden (1988-1992) ben ik zelf opgeleid tot programmeur op de HIO (HTS Informatica). Ik geloof dat er tussen de honderden mannelijke opleidingsgenoten, hooguit 2 of 3 vrouwen zaten. Dus in mijn beleving is de programmeuse zeldzaam. Gedurende mijn loopbaan heb ik maar met enkele van hen samengewerkt, maar ik kan onderschrijven dat programmacode die door een vrouw is geschreven netter is gestructureerd, en meestal beter is gedocumenteerd. Het viel me vooral op dat de programmacode van de hand van een programmeuse veel beter kon worden overgedragen aan anderen.

Na het lezen van het artikel op nu.nl deelde ik een linkje op twitter, en plaatste ik er een zogenaamd spitsvondige opmerking bij, waar ik nu spijt van heb. Ik zette er namelijk bij dat vrouwen natuurlijk vooral betere programmeurs zijn dan mannen als er multitasking aan te pas komt. Dat is eigenlijk ronduit seksistisch. Ik bedoelde het vrij letterlijk en wilde juist de draak steken met de moeite die mannelijke programmeurs met multitasking hebben. Bij nader inzien ook erg flauw.

Met deze flauwe opmerking begaf ik me qua seksisme op behoorlijk glad ijs, maar het heeft me aan het denken gezet. Ingegeven door mijn lieve echtgenote, dat geef ik graag toe. Die invloed heeft ze op me, en dat is maar goed ook. Ze vroeg me of ik wel eens had nagedacht hoe het komt dat je steeds vaker leest dat vrouwen beter zijn in werk dat voornamelijk door mannen wordt gedaan. Misschien moeten die vrouwen zich in mannenwereldjes wel voortdurend bewijzen om daar “hun mannetje te staan”.

In het artikel wordt gesproken over de acceptatie van door vrouwen geschreven code, door mannen. Die acceptatie was hoger als die mannen niet wisten dat de code geschreven was door een vrouw. Dat gegeven alleen al vind ik schokkend. Blijkbaar kun je de kwaliteit van geleverd werk niet objectief beoordelen als je over informatie beschikt over het geslacht van persoon die het werk heeft gedaan. “Welkom in mijn wereld”, aldus mijn vrouw. Zij is een vrouwelijke astronoom…

Een programmeuse moet blijkbaar dus én beter haar best doen om zich in het overwegend mannelijke programmeurswereldje staande te houden, én hun sekse verbergen voor een objectieve beoordeling. Het woord “programmeuse” is misschien ook wel seksistisch en zouden we dus beter niet moeten gebruiken, maar dan moeten we ook af van “verpleegster”, “lerares” en “secretaresse”. Daarmee verbergen we de sekse van de uitvoerder van het beroep zodat beoordelingen objectiever worden. Het is triest dat zoiets blijkbaar nodig is om echte gelijkwaardige beoordeling van vrouwen en mannen te bewerkstelligen.

Misschien begeef ik me hier op nóg gladder ijs, maar zou het omgekeerde ook gebeuren bij mannen die een beroep hebben gekozen dat voornamelijk door vrouwen wordt beoefend? Wordt het werk dat wordt geleverd door een mannelijke secretaresse, of een mannelijke pedagogische kinderdagverblijfmedewerker (om maar gelijk een heel beladen beroepskeuze voor een man te nemen) , ook subjectief beoordeeld door vrouwen als deze weten dat het werk is gedaan door een man?

Moeten de mannen die in een vrouwenwereld werken zich ook voortdurend bewijzen om “hun vrouwtje te staan”? In dat licht ben ik nu ook wel erg nieuwsgierig naar hoe de programmeuse doorgaans de code van een collega accepteert. Ergens hoop (of verwacht?) ik dat ze hoofdschuddend feilloos het geslacht van de programmeur kunnen aflezen uit de code, maar desondanks in staat zijn om objectief te beoordelen.

 

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.

Donkerblauw

Kleur: donkerblauw, stond erbij op de website. En in mijn maat beschikbaar, dus hup het winkelwagentje in. Enkele dagen later werd de broek, op het door mij gekozen tijdstip bezorgd. Heel mooi.  Maar toen ik de spiksplinternieuwe jeans uit de zak haalde, bleek dat donkerblauw niet te onderscheiden van zwart. Alleen bij een directe vergelijking bij klaar en helder daglicht, met een object waarvan ik 100% zeker wist dat het zwart was, in dit geval een tukkerpiano (glanzend zwarte piano dus, met een dankbare knipoog naar Herman Finkers), zag ik dat mijn nieuwe broek inderdaad ietsiepietsie blauwiger oogde dan de piano.

De broek was dus bijna zwart maar bevatte net genoeg blauw om te kunnen worden geclassificeerd als donkerblauw. Works for me! Qua kleding ben ik niet zo’n Pietje Precies. De broek heb ik maar gewoon gehouden. Het was voor het eerst dat ik online een kledingstuk kocht, en het paste zowaar perfect. Dan ga ik niet pietluttig doen over de zwartheid van het blauw. Wacht es even, als we nou de Zwarte-Pieten-smink ook ietsiepietsie aanlengen met blauw…

Eeuwige bouwputten

Lawaaiig werk op Utrecht CS

Lawaaiig werk op Utrecht CS

De afgelopen jaren reis ik regelmatig met de trein langs grote stations zoals Zwolle, Arnhem, Amersfoort, Utrecht en Den Bosch. Het valt me op dat er altijd wel ergens op een van deze stations een groot bouwproject gaande is. In mijn beleving is er dus een eeuwig durende bouwbedrijvigheid op mijn reisroutes. Het is nooit af. Arnhem heeft jaren in de stijgers gestaan voor de nieuwe, ruime, ondergrondse voetgangerstunnel, evenals Zwolle. Het uiteindelijke resultaat is prachtig en een verrijking van de reizigersbeleving, maar er gingen jaren van ongemak aan vooraf.

Omdat dit soort project vele jaren duren, worden de tijdelijke, ongemakkelijke hoge trappen over het spoor (zoals bij Zwolle) geleidelijk aan gewoon. Gisterochtend zag ik dat ze in Zwolle waren weggehaald. Ze waren al ruim een maand daarvoor afgebroken, maar ik was even een maandje op vakantie. Dus voor mij was de voetgangersbrug over de perrons ineens verdwenen. Een rare gewaarwording van gemis kwam over me heen. Ik was zo vertrouwd geraakt met de tijdelijke trappen, dat ik ze miste toen ze er ineens niet meer waren.

Later die ochtend moest ik overstappen op Utrecht CS. Overal om me heen liepen vele mannetjes met werkhelmen op. Er werd getimmerd, gezaagd en geboord. Grommende graaf- en schuifmachines met een behelmd mannetje erin deden hun grimmige werk. De foto hier boven nam ik vanaf perron 15. Het bijkomende lawaai van de door metaal snijdende cirkelzaag was dusdanig luid dat de stationsomroepen onverstaanbaar waren. Telefoneren kon je ook vergeten. Luisteren naar muziek bood ook geen soelaas. De herrie sneed door alles heen. Ongemak. Maar een ongemak waar ik vertrouwd mee begin te raken. Het vormt een (klein) deel van mijn leven. Ik reis voor eeuwig door bouwputten. Daar leg ik me maar gewoon bij neer.

Gelijk krijgen

Het woordje “gelijk” kennen we in onze taal als een bijvoeglijk naamwoord (hetzelfde), een bijwoord (op hetzelfde moment) en als zelfstandig naamwoord (juistheid). Dit is dan dus een prima Nederlandse zin: “Over een gelijk gelijk gelijk gelijk krijgen”.

Als zelfstandig naamwoord is “gelijk” vaak iets dat je de ander niet gemakkelijk geeft. Zeker niet als die ander wel degelijk gelijk moet hebben. Eigenlijk maakt het niet uit of je die ander dan gelijk geeft of niet, want zij (of hij) had het immers de hele tijd al (ook als dat pas later duidelijk wordt). Dus iemand gelijk geven is taalkundig eigenlijk onlogisch. Gelijk krijgen dan dus ook. Tenzij je natuurlijk het bijwoord “gelijk” bedoelt, dan is het wel weer logisch. Ik krijg gelijk nieskriebels als ik peper op snuif. Ik geef hem gelijk lik op stuk.

Gelijk krijgen geeft soms een katergevoel. Soms zou je het liever niet krijgen. Maar tegelijk kan je ook heel verongelijkt zijn als je het niet blijkt te hebben. Het is niet eerlijk dat ik geen gelijk krijg! Op zulke momenten strijk ik dan maar weer over mijn hart. Tuurlijk mag jij ook gelijk hebben stumper. Kom maar, dan krijg jij van mij fijn een beetje gelijk. Moet je niet denken dat de ontvanger van een dergelijk gelijk dan gelijk tevreden is. Oooo nee.

Jargon, je moet ervan houden

Het is eigenlijk best een gruwelwoord: jargon. Helemaal als je het met een slappe R uitspreekt. Het klinkt als een kledingstuk dat je liever niet draagt. Moet ik echt mijn jargon aan? Die zit zo stijf en stug. Het concurreert duidelijk met harnas en korset.

Nu reis ik dikwijls met de trein naar kantoor. De 1e-klas coupé zit dan vol met reizende medewerkers van verschillende bedrijven en organisaties. Die kwebbelen in hun telefoons of – erger nog – met elkaar als ze samen reizen. En dan spreken ze openlijk en ongegeneerd in hun rare jargon. Het zit vol woorden die je privé waarschijnlijk nooit zou gebruiken, zoals uniformeren, effectueren en synergie. En vol met DLA’s (Drie-Letterige Afkortingen).

Ik merk eigenlijk dat het me stoort als ik het anderen hoor doen. Het leidt me een beetje af van het werk dat ik probeer te doen op mijn laptop. Maar ja,  ik doe het zelf natuurlijk ook als ik zit te bellen in de trein. Volkomen ongegeneerd ook.

Beroepshalve praat ik natuurlijk überhaupt Koeterwaals voor de meesten. Als infoloog bezig ik natuurlijk een erg abstract taaltje.  Daarom moet ik mijn uitdrukkingen ook regelmatig vertalen naar “Jip-en-Janneke-taal”. Simpele, duidelijke taal. Zodat mensen die weinig tijd hebben het in één keer snappen, en er dan gemakkelijk een besluit over kunnen nemen. Daarbij grijp ik graag terug op metaforen die iedereen kent.

Eigenlijk hou ik erg veel van Jip-en-Janneke-taal. Het is niet stijf of stug. Het is soepel en zit als gegoten. Eigenlijk getuigt duidelijke, simpele taal van pure taalkundige vakmanschap. Ambachtelijk bijna. Voor een simpel en duidelijk verhaal moet je even rustig gaan zitten. En daar wringt de schoen. Die tijd nemen we te weinig.

Is daarmee het kringetje rond? Is jargon tijdverspilling? Nee, niet onder jargongenoten natuurlijk. Dan is je jargon misschien toch wel weer een fijn kledingstuk waarvan je hebt leren houden. Je stijve harnas  gaat vanzelf lekker zitten, of je voelt de stijfheid niet meer omdat je zo druk met je zwaard staat te zwaaien. Jargon, je moet ervan houden.

Is winnen belangrijk?

Is winnen belangrijk? Ik dacht mijn eigen antwoord daarop te kennen. Ik dacht dus van niet. Ik dacht dat meedoen met het spel verheven moest zijn boven winnen. De reis achtte ik altijd belangrijker dan het doel. Prestatiedrang maakt niet gelukkig, dacht ik ook altijd. Maar ik ben mezelf vanuit een verrassende hoek tegen gekomen.

Ik was niet eerlijk naar mezelf. Presteren en winnen is toch belangrijker voor me dan ik mezelf altijd voorhield. Zeggen dat meedoen belangrijker is dan winnen vind ik een dooddoener. Winnen maakt meedoen voor mij gewoon leuker. Winnen is vooral leuk als dat komt door goede prestaties van jezelf en je mede- en tegenstanders. Verliezen is des te moeilijker verteerbaar als ik weet dat ik onder mijn niveau presteerde.

Gisteren moest ik presteren. Met een groep collega’s had ik een opleiding gedaan, en gisteren werd daarvan een examen afgenomen. Veertig meerkeuzevragen. Ik vond de vragen best pittig, al had ik genoeg tijd om alle vragen te beantwoorden. Van de 40 moet ik er tenminste 26 goed hebben om te slagen.

De meesten waren eerder klaar dan ik, maar ik had dan ook nog rustig de tijd die ik nog over had gebruikt om de antwoorden waar ik niet zeker van was nog eens na te lopen. Mijn gummetje kwam er hier en daar nog even aan te pas.

Toen ik ook helemaal klaar was had ik nog 5 minuten over. De groep collega’s die al klaar waren, zag ik samen koffie drinken, maar ik dook snel de lift naar beneden in. Geen zin om ze te spreken. Mijn kop voelde ook alsof het elk moment kon barsten. Ik snakte naar frisse lucht en eenmaal buiten ademde ik de heerlijke koude lucht gulzig in. En toen besloot ik maar gelijk de trein naar huis te pakken. Ik was helemaal klaar met alles.

In de trein dacht ik na over het waarom van mijn donkere stemming.
Wat nou als ik zak en de rest niet? – ging het door mijn hoofd.
Waarom maak ik me daar toch zo druk om? – dacht ik toen kwaad.

Als mijn kinderen balen en boos zijn omdat ze hebben verloren bij iets, dan hou ik ze altijd voor dat het niet om winnen gaat in het leven, maar om het meedoen. Zo probeer ik ze tenminste op te voeden. Alleen maar bezig zijn met en gericht zijn op winnen, dat maakt een mens ongelukkig.

Het examen viel me zwaar tegen, en ik ging ervan uit dat ik ervoor was gezakt. Dat vond ik op zichzelf niet het ergste. Het idee dat ik daarbij één van de weinigen zou zijn, werd ik dus chagrijnig van. Goed, het was een drukke week, en de koek was dus nagenoeg op. Ik draaide op de laatste kruimeltjes. Dat speelt zeker mee, maar toch verbaasde ik me over mijn eigen verslagenheid. Ik wilde niet bij de weinige verliezers horen. Ergens hoopte ik dat de hele groep zou zakken. Ik vind winnen dus blijkbaar belangrijk. Ik richt mij op winnen in plaats van meedoen.

Daarom bewonder ik de collega die mij mailde over de uitslag. Van de 15 collega’s waren er maar liefst 10 gezakt, waaronder hijzelf. Het was een “exam from Hell”. Mijn collega vatte het meesterlijk sportief op door te zeggen dat hij toch blij was dat hij heeft meegedaan:

Van groot belang is dat we in ieder geval het model begrijpen en dezelfde “taal” kunnen spreken. Ik ben dus toch blij met het resultaat (en dat is best knap, ben meestal niet snel tevreden…)

Hij richt zich dus op het meedoen en is nu voor mij een lichtend voorbeeld. Ik bleek toch bij de weinige geslaagden te horen, maar ik buig mijn hoofd nederig naar mijn wijze en nu nóg meer door mij gewaardeerde collega.

Suv gedrag

Voor mensen met zo’n dikke, vette SUV onder hun kont, gelden blijkbaar andere verkeersregels. De voorrangsregels worden bijvoorbeeld gehanteerd vanuit het principe: “mijn auto heeft een veel te lange remweg vanwege het overgewicht, dus ik rem liever niet als het niet echt nodig is”. En op de snelweg schijnen ze met hun vadsige koplampen zo lekker fijn precies in je spiegels als ze aan je bumper kleven.

Bij het parkeren blijkt de vetzucht helemaal duidelijk: ze hebben meestal niet genoeg aan 1 parkeerplaats. Net als dikke mensen in de bus twee stoelen nodig hebben, hebben SUV’s twee P’s nodig. Dit autobesitas is een groeiend probleem voor de maatschappij. Deze vette wagens nodigen uit tot ongezond gedrag bij de berijder en hinderlijk en gevaarlijk gedrag voor medeweggebruikers. 

Eigenlijk is er maar één oplossing: wagenverkleining. Het valt me trouwens ook op dat de berijders van SUV’s opvallend vaak ook nogal overgewichtig zijn. Zouden SUV’s dan extra brede stoelen hebben? Ik vermoed van wel. En de achterbank is natuurlijk vierzits voor hun twee kinderen… Voor een succesvolle wagenverkleining dienen de be- en bijrijders dus waarschijnlijk eerst op dieet te moeten. Ik zie de speciale aanbiedingen al bij de autofabrikanten die hierop slim gaan inspelen: Ruil je SUV in voor een nieuwe Toyota Yaris, en krijg een gratis maagverkleining!

Oh Mark, wat grof. Sorry, ik kon vanochtend mijn eigen bescheiden auto niet parkeren bij de AH omdat er zo’n dikke. asociale, vette SUV op twee P’s stond! En scheef bovendien! Zo, dat is er uit. 

Hoe te poepen

Natuurlijk weet je al lang hoe je moet poepen. Het primaire poepproces is bij iedereen bekend vanaf de geboorte, zullen we maar zeggen. Maar waar menigeen (mijzelf incluis) volgens mij mee worstelt is de poep-etiquette. Wat is nou geaccepteerd gedrag qua poepen in openbare toiletten of toiletten die je deelt met anderen zoals op kantoor, op school, et cetera?

Wat mij betreft is het poepen op een openbaar toilet, bijvoorbeeld bij een tankstation langs de snelweg nog het minste probleem, want daar kom ik alleen vreemden tegen. Dan is het kunnen hebben van schijt aan wat men van je denkt, heel gemakkelijk. Dus dan poep ik vrijwel net zo ontspannen als thuis.

Op kantoor is het anders. Daar kent iedereen elkaar, en maakt het me veel meer uit wat men van mij denkt. Vanuit het perspectief van de toiletgebruiker zie ik twee kanten aan de poep-etiquette:
1. Vanuit de poependen: Wat is netjes poepgedrag?
2. Vanuit degenen die het poepgedrag van anderen waarnemen: Wat is netjes observatiegedrag?

Te beginnen bij het gedrag van de poepende:

Als er anderen in de toiletruimte aanwezig zijn (op slot zittende deuren duiden wellicht op mede-poepers waardoor je gelijk ook waarnemende wordt), dien je er rekening mee te houden dat anderen aanstoot nemen aan jouw geknetter en gesteun. Probeer dus zo geluidloos mogelijk te poepen. Wacht desnoods tot je zeker weet dat je de toiletruimte voor jezelf hebt, voor je gaat persen. Je kunt ook handig gebruik maken van de mogelijkheden om je perswerk te doen op de momenten dat een andere toiletgebruiker doorspoelt of, heel ideaal in mijn optiek, de handendroger aan zet. Als je onverhoopt toch pruttel- en knettergeluiden voortbrengt (wat door de toiletpot en de akoestiek van de toiletruimte erg wordt versterkt), dan dien je je te schamen en moet je je eigenlijk openlijk excuseren via een e-mail naar de hele kantoorvleugel:

“Beste collega, mijn oprechte excuses voor de onbetamelijke geluiden door mij voortgebracht tijdens het poepen. Ik vermoed dat het de bruine bonen waren. Sorry voor de overlast”. Zoiets.

En dan het gedrag van de waarnemende:

Neem aanstoot aan ongegeneerd geknetter en gesteun van een poepende mede-toiletgebruiker. Mocht je deze persoon na dit gedrag uit het toilethokje zien komen, schenk deze dan een afkeurende blik (met gerimpelde neus). Als je weet wie deze onbetamelijke poepert is, spreek er dan achter de rug van diegene om, schande over. Temeer als het een hooggeplaatste collega is. Ik zou zelfs zo ver willen gaan om een bruine lijst te plaatsen op het intranet, waarop alle ongegeneerde poepers met naam en foto komen te staan. Dat zal ze leren om zich zo onbetamelijk te gedragen!

Onzin natuurlijk. Iedereen moet wel eens poepen. Ook je gerespecteerde collega’s. Een toiletruimte is daar voor bedoeld. Heb gewoon lekker schijt aan wat anderen vinden. Pers je drollen er gewoon net zo uit als thuis en voel je opgelucht in plaats van opgelaten.