verkeer

Betoeterd

Vanochtend werd ik dus even helemaal betoeterd. Ik stond keurig te wachten voor de haaientanden bij een T-splitsing om linksaf te gaan. De automobilist die van links kwam trapte pardoes op de rem waardoor het autootje wild bokte. Woest gebarend en dus ook driftig toeterende reed de blijkbaar geschrokken automobilist stapvoets en met een overdreven boogje voor mij langs. Alsof ik met de neus van mijn auto half over zijn weghelf stond. Ik stond wel pal op de haaientanden, maar dus NIET op zijn stomme weghelft.

Mij van geen kwaad bewust zijnde, maakte ik dus het universele gebaar voor “ik heb geen flauw idee wat je bedoelt, wat stel je je toch aan man!”: beide handen met de palmen geopend omhoog en mijn hoofd schuddende. Ik kreeg daarop het universele gebaar voor “LLLLLLOOSER!!”: rechterhand voor zijn lelijke rotkop met duim opzij en wijsvinger omhoog. Was t ‘ie nou helemaal betoeterd zeg! 

En toen ik mijn deur open deed om eens te kijken hoe ver ik dan wel over de haaientanden stond met mijn neus, werd ik dus ook van achteren betoeterd. Maar deze keer, toegegeven, wel terecht. Ik maakt dus het universele gebaar voor “ja, ja, ja, ik ga al, tjongejonge wat een haast zeg”: hoofdschuddend met loeiende motor wegscheuren. Dat zal ze leren mij een beetje te betoeteren zeg.  

Ver van huis

Als jonge student liep ik ooit een half jaartje stage in Amsterdam. Ik woonde nog bij mijn ouders. In de weekenden ging ik naar huis. Meestal op vrijdagavond al. Zo ook deze avond. Ik sta bij de Keizersgracht te wachten op de tram naar Amsterdam Centraal. Het is winter en het is al vroeg donker. De tram is laat. Ik sta er al een kwartier te vernikkelen van de kou. Ik sta er ook helemaal alleen. Links uit de straat klinken plots voetstappen. Ik kijk even opzij. Een verlopen typ met lange jas zwalkt in mijn richting. Ik ben meteen op mijn hoede.

De ongure griezel komt naast me staan. Hij riekt verschrikkelijk. De kerel slaakt een gespeeld geërgerde zucht en zijn adem beslaat. De wolk waait langs mijn gezicht. De stank uit zijn vieze, ongeschoren muil maakt me misselijk.”Ga maar mee naar de nutsbank”, zegt hij dan met een grijns die me op me mijn gemak moet stellen of zo, maar het werkt averechts, “hier komt geen tram meer vanavond”.

Nutsbank? Wat nou nutsbank? Ik kijk hem, hopelijk koelbloedig – en op dat moment voelt mijn bloed eigenlijk ook ijskoud – aan, en zeg met geknepen stem zo kalm als ik kan: “Ach jawel joh. Hij kan elk moment komen”. Ik wijs in de richting waar hij vandaan moet komen. Dan trekt de kerel een enorm mes onder zijn jas vandaan en begint met de punt ervan zijn vuile nagels schoon te maken, “Ik zou er maar niet van uitgaan”, zegt hij, nu gemeen grijnzend. Koud zweet breekt me uit op mijn rug.

Ik begin rustig weg te lopen. In de richting van de tramhalte aan de overkant. Daar komt zojuist en groepje mensen naartoe gelopen. De tram de andere kant op zie ik in de verte al aan komen rijden. Ik versnel mijn pas. Ik hoor voetstappen achter me. “Hee vriend, waar ga je nou naartoe?”, hoor ik achter me. Ik negeer hem en ren nu naar de overkant van de brede straat. Het groepje mensen bij de halte neemt me bevreemdend op. Maar dan komt de tram al. Ik stap er op en ga zitten. Mijn hart klopt in mijn keel, en het klamme zweet parelt van mijn rug. Ik kijk nog even achterom naar de halte waar ik net stond. Het ongure typ staat mijn tram na te staren. Ik rij de verkeerde kant op, maar ik leef nog.

Een vrouw kijkt bezorgd naar me en vraagt of ik me wel goed voel. “Ik ben net met een enorm mes bedreigd”, zeg ik met een stem die ik nauwelijks herken. Ze kijkt me geschrokken aan en vraag dan: “Waar moet je naartoe?”. “Naar centraal”, zeg ik met een belachelijk schor stemmetje. “O, blijf maar gewoon zitten, want deze tram rijdt heen en weer. Wil je dat ik bij je blijf?”. Ik haal eens diep adem en blaas het – pffffff – langzaam uit. Dan schud ik zachtjes van nee. Ze neemt me bezorgd op en zegt dan vastbesloten: “Nee hoor, ik laat je beter maar niet alleen”. Zorgzaam begeleidt ze me helemaal terug naar Amsterdam CS. Ik was haar oneindig dankbaar. Nog nooit voelde ik me zo ver van huis. Pas in mijn trein richting het veilige Noorden kon ik weer rustiger adem halen.

130 goed voor de staatskas

Altijd leuk om stellig te beginnen: hoe harder wij rijden hoe meer wij de staatskas spekken.

Hoe kom ik daar bij? Heel simpel (en toegegeven, ik heb het niet zelf bedacht): de gemiddelde auto verbruikt veel meer benzine bij snelheden boven de 100 kilometer per uur. Ik sloeg eens aan het googlen en kwam percentages tegen van 20% to 25% verschil in benzineverbruik tussen 100 km/uur rijden en 130 km/uur. Dat is aanzienlijk. Ik kan me nog herinneren dat de snelheidslimiet op onze snelwegen 100 km/uur was. Dat was in 1988. Toen was ik 18 en maakte ik me vooral nog druk over acne en examens en zo. Maar dat terzijde.

Naar het schijnt hebben wij in Nederland een dikke 5,5 miljoen benzinewagens, en 1 miljoen dieselwagens. Voor mijn stelling laat ik voor het gemak de dieseltjes maar even buiten het plaatje. Ik ga dus uit van 5.500.000 benzine verbruikende auto’s.

Nu zou ik willen weten hoeveel van die benzineverbruikers er op elk moment van een dag gemiddeld 130 km/uur rijdt. Dat is een lastige. Op veel snelwegen mag je na 19 uur en voor 6 uur 130. Op sommige stukken mag je altijd 130, maar kan dat door de drukte niet. Je zou dus ook nog het gemiddelde file-beeld moeten weten. De ANWB zou die statistieken moeten hebben of gaan verzamelen en moet mijn sommetje dan nog maar eens dunnetjes over doen. Ik moet het dus maar gaan gokken. Hier komt ‘ie:

Stel nou dat van al die 5,5 miljoen auto’s er op ieder willekeurig moment van de dag gemiddeld (!) 5000 in staat zijn om 130 km/uur te rijden. Dat is iets minder dan een tiende procent van het totale aantal benzine-auto’s in Nederland. Ik heb geen idee of dit realistisch is of niet, maar ik ga hier even mee verder voor mijn verdere berekening.

Dus op ieder moment (24×7) rijden er 5000 benzine-auto’s 130. Met z’n allen verbruiken zij dan dus tussen de 20 en 25 procent meer benzine dan wanneer ze 100 km/uur zouden rijden.

Ja, en hoeveel benzine verbruikt een gemiddelde benzinewagen dan bij 100 km/uur en bij 130 km/uur? Op deze discussie op autoweek.nl (ik weet het, er zijn betere bronnen, maar ik doe het er maar even mee) kwam ik het volgende tegen:

Het verbruik van een 65 pk 1.2 liter VW Polo (bj. 2004):

3.245 tpm bij 100 km/u, 4.220 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 975 tpm.

Het verbruik van een 100 pk 1.6 liter ford focus (bj. 2005):

2.660 tpm bij 100 km/u, 3.460 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 800 tpm
90km/u: +-7l/100 km
120km/u: +- 8.2l/100 km

Op een andere discussie op autoweek kwam ik ook nog dit tegen:

het verschil tussen 110 en 130 bedraagt zo’n 20% in meerverbruik, dus:
110 = +- 4.5l/100km
130 = +- 6l/100km

Ik sla dit alles maar even valsplat tot het volgende zodat ik er makkelijker mee kan rekenen: Bij 100 km/uur verbruikt de gemiddelde benzineauto 5 liter op 100 kilometer. Bij 130 km/uur komt dat 20% hoger te liggen: 6 liter per 100 kilometer.

Kortom: per 100 kilometer verbruik je dus 1 liter meer benzine bij 130 km/uur ten opzichte van dezelfde afstand afgelegd met 100 km/uur. Dit moet ik nog even ombuigen naar liters per uur. Bij constant 100 rijden verbruik je 5 liter per uur. Bij constant 130 rijden verbruik je per uur 1,3 x 6 liter benzine, dus 7,8 liter per uur.

Dus als ik 24 uur lang, 7 dagen in de week 130 kilometer per uur rij, dan verbruik ik 24 x 7 x 7,8 = 1340,4 liter benzine. Bij 100 km/uur zou ik dan maar 1008 liter benzine verbruiken. Een verschil van dik 332 liter. Gesteld dat er gemiddeld 5000 benzineauto’s 24×7 uur 130 rijden verbruiken die gezamenlijk per week 6.552.000 liter benzine. Als zij met z’n allen 100 zouden rijden verbruikten zij per week 5.040.000 liter benzine. Een verschil van dik anderhalf miljoen liter per week!

Op dit moment bedraagt de benzine-accijns 73 eurocent per liter. Dus even omgerekend zou de staat maar zo een slordige anderhalf miljoen keer 0,73 cent per week, dus een slordige 56 miljoen euro per jaar mis kunnen lopen als wij met zijn allen verstandig werden en geen streepje harder dan 100 km/uur gingen rijden. Nu ben ik zelf verre van verstandig, en de gemiddelde nederlandse wegmisbruiker met mij, dus met onze staatsschuld komt het allemaal vanzelf wel goed. Gelukkig.

(Let wel, mijn gegoochel met cijfers hierboven is natuurlijk ontzettend grof en je reinste Rijk-rekenarij. Bovendien heb ik het ook door niemand laten toetsen, maar het zet je toch aan het denken, nietwaar? Brand maar los…)

Schuitje varen, crisisje remmen

Zolang er wat te ergeren valt, valt er voor mij wat om over te bloggen. Dat is de pluskant. Nu de minkant.

Ik rij regelmatig langs de Drentse Hoofdvaart. Die is vergeven van de sluizen en bruggen. En ook van de plezierjachtjes met van die kijk-mij-nou-toch-eens-genieten-van-mijn-wel-verdiende-pensioen-grijsaards erop. Dit zijn de mensen uit de generatie die onze economie weer hebben opgebouwd na de oorlog. En ze zullen het snotverdorie ook weer helemaal opmaken ook! Asociale levensgenieters! Het zou maar zo kunnen dat de gezamenlijke waarde van al die plezierschuitjes ons begrotingstekort ruimschoots afdekt.

En alsof ze het ons ook nog eens even extra in willen wrijven hebben die suffe schuitjes ook nog eens voorrang op het wegverkeer. Zelfs in de spits. Dan mag je vanuit je auto, waarvan ik braaf om economische redenen de motor heb gestopt, gelaten toezien hoe je eigen dreigende pensioentekort tergend langzaam voorbij tuft. Ik haat ze!

In de kantine vanmiddag blies ik hierover al wat stoom af. Een bijna gepensioneerde haalde zijn schouders op en merkte op dat die luizenlevenslijders wel eens een remmende werking op de economische crisis zouden kunnen hebben. Zonder hun uitgavenpatroon zou de crisis immers nog wel eens veel erger kunnen zijn, zo redeneerde hij. Klink walgelijk logisch dus het zal wel waar zijn ook. Bah.

Nachtmerrie van een bumperklever

Waldo heeft een afspraak bij een belangrijke klant en hij is laat, maar als hij even gas geeft kan hij nog op tijd zijn. De weg voor hem is leeg dus hij trapt het gaspedaal van zijn zilvergrijze Mercedes helemaal in. De auto schiet gretig naar voren. De weg is van hem. Iedereen zal wijken.

Verderop doemt de eerste sukkelaar al op. Even een kort tikje groot licht en de sukkel schiet schichtig als een hert opzij. Hij is heer en meester van de weg. Dat heerlijke gevoel van superioriteit geeft hem een geweldige kick. Hij aait voorzichtig langs de zijkant van zijn hoofd. Strak in de gel. Hij checkt het even snel in de binnenspiegel. “Goeie kop”, zegt hij hardop.

Hij passeert een colonne vrachtwagens. Als slakken kruipen ze over het asfalt. Een halve kilometer verderop voegt een lullig klein autootje in op de snelweg, tussen twee van die dikke slakken. Waldo geeft nog meer gas. Tot zijn grote ergernis besluit dat kleine kutautootje ineens in te gaan halen. Het gore lef. Waldo trapt nijdig op zijn rem en gaat vlak achter het aftandse karretje rijden. Het is een roestige, oude VW Golf, met gaten in de achterklep.

Waldo stuurt een beetje naar links en kruipt er nog dichter op. Nijdig flitst hij een paar keer met zijn groot licht. De bestuurder van het golfje draait bedaard zijn raampje open, steekt een grote harige hand naar buiten en geeft hem een middelvinger. Waldo wordt woest. Rechts is er ruimte, dus hij duikt naar de rechter baan. Maar dan schiet die ouwe roestbak naar voren. Dit wordt dus persoonlijk. Waldo trapt zijn Mercedes op zijn staart, maar de Golf is belachelijk snel.

Traag gepeupel belemmert hem verderop op de rechter baan. Zonder richting aan te geven duikt Waldo weer naar de linker baan. Het Golfje rijdt nog steeds voor hem maar mindert snelheid. Even later kleeft Waldo weer aan zijn roestige, scheve bumper. Weer wordt het raampje bedaard open gedraaid. Tot zijn ontsteltenis ziet hij dan hoe de bestuurder nota bene door het raampje naar buiten klimt! Het is een bizar lange gozer met woeste, zwarte haren en borstelige wenkbrauwen.

Tot Waldo’s verbijstering klimt de mafkees op het dak van de Golf en gaat staan. Het is onmogelijk, maar de man weet zich staande te houden. Wie bestuurt nu die Golf!? Ineens beseft Waldo dat hij maar beter zijn afstand vergroot en haalt zijn voet van het gaspedaal. Hij ziet de toerenteller teruglopen, maar de afstand tot de Golf wordt geen millimeter kleiner. Hij remt flink bij, maar behalve dat de mafkees op het dak van de Golf wild met zijn armen moet zwaaien om zijn balans te bewaren, wordt de afstand tot de Golf niks kleiner. Het lijkt wel alsof hij letterlijk aan de Golf zit vastgeplakt.

Otto de Magiër kijkt naar de bestuurder van de dikke Mercedes die hij heeft gevangen. De stumper schijt nu vast zeven kleuren stront. Moet ‘ie ook maar niet zo plakken. De gril van de Mercedes is versmolten met de achterkant van zijn Golf. Tsss, hoe is het mogelijk. Otto grijnst tevreden. Wijdbeens staat hij op het randje van het dak van zijn ouwe Golfje. Zijn lange zwarte jas wappert om hem heen. Otto steekt zijn rechterhand in zijn jas, alsof hij een pistool gaat trekken. Hij lacht boosaardig. Dan springt hij op de motorkap van de Mercedes en trekt een fel brandende snijbrander uit zijn binnenzak….

Milieubarbaren!

Rij ik te genieten van de mooie natuur om me heen, rijdt er voor mij zo’n uitgeleefde roestbak op wielen ten eerste al smerige dampen te walmen, draait de bijrijder het raampje open en komt me daar toch een gore rookwolk uit dat raam! En dan flikkert die ranzige slons tot overmaat van natuurramp ook nog eens de inhoud van zijn asbak leeg in de berm!! Gadverdegadverdegadver! Milieubarbaren!

….

oooooooooooohmmmmmmmmmmmmmmmmmmm

Snot, verbazing en ergernis

Met mijn kleine ventje aan de hand stapte ik in peutertempo naar de ingang van de dorpsdrogist. Een vriendelijke oude grijsaard stond voor de ingang op zijn stok te leunen. De oude man hoestte een piepende en reutelende oudemannenhoest. Vriendelijk glimlachend liet hij mij en mijn peuter, die mij er even op wees dat hij hier altijd een snoepje krijgt, voor. 

Binnen bestelde ik bij de kassa een doosje kinderparacetamolletjes en een flesje kinderneusspray. Dat is hard nodig, want er lopen ettelijke kleine en grote snotneuzen rond bij ons thuis. Pa en ma vliegen de hele dag af en aan met lotiontissues om de geelgroene snottebellen weg te poetsen. Toen ik had afgerekend stelde de drogiste de geijkte domme vraag aan mijn snotterpeuter: lus jij ook een snoepje? Nou en of natuurlijk.

Intussen was het oude heerschap ook binnen komen hobbelen en was nu aan de beurt. “Goedemorgen meneer, kan ik u helpen?”, riep de drogiste luid. Tot mijn dubbele verbazing vroeg de op zijn minst 80-plusser of ze even een pasfoto wilde maken voor de verlenging van zijn rijbewijs. Ten eerste wist ik niet dat de drogist tegenwoordig ook fotograaf was. Waarschijnlijk was dat altijd al zo en wist ik het niet. Wel handig, want ik reed voor pasfoto’s altijd een dorpje verderop. Maar ten tweede verbaasde ik me er hogelijk over dat deze man nog kan autorijden. 

Mobiele bejaarden. Je ziet ze regelmatig rijden. Bedaard kachelend over de binnenwegen. De snelwegen mijden ze gelukkig zoveel mogelijk. Ze nemen hun tijd bij de kruispunten. Ongeduldige drammertjes (zoals ik) laten ze rustig in hun eigen sopjes gaar smoren. Allemaal zinloos gehaast. Ooit waren ze zelf ook jong en onbezonnen. Het gaat vanzelf wel over in berusting. Zij kunnen het weten. Maar ík wil het nog niet weten. Aan de kant opa, want ik wil er met mijn onbezonnen woestenij tóch erg graag voorbij. Ouwe lullen achter het stuur. Levensgevaarlijk. Toch?

Koot en Bie, nu zelf al aardig bejaard, dachten er vroeger in ieder geval net zo over. 

Domweg

Hij bestaat, de Domweg, en loopt ergens in midden in Gelderland. Zo te zien midden in dat grote militaire oefenterrein. Heel dom als je je daar als gewone burger waagt met je auto. Het is bovendien een doodlopende weg. Doodlopende wegen hebben met elkaar gemeen dat je er onvermijdelijk tot stilstand zult komen.

Dat stilstaan doen we natuurlijk ook massaal op onze snelwegen, maar dat is – in tegenstelling tot doodlopende wegen – onbedoeld. De bedoeling van een snelweg is juist dat je je er snel over kunt voortbewegen. Snelwegen moeten goed doorstromen. Het zijn de slagaderen van onze infrastructuur en bij de grote steden worden het aorta’s. Elke dag is het weer mis. Vooral bij de knooppunten waar snelwegen elkaar kruisen. Daar moeten we netjes ritsen en elkaar de ruimte geven om in en uit te voegen. En dat vinden velen erg moeilijk. Als iedere weggebruiker domweg 1 andere weggebruiker voor zich laat invoegen dan werkt die rits.

Om de veiligheid en doorstroming te optimaliseren wordt het verkeer rond de knooppunten automatisch geregeld met variabele snelheidslimieten die worden weergegeven op lichtgevende borden boven de weg. Het is dan dus strafbaar om harder te rijden dan de aangegeven snelheid. En toch zie je dat de meeste mensen gewoon met 120 (of harder) onder een 90 doorrijden. Verderop staat er dan 70 boven de weg en nog wat verder 50. Maar tegen de tijd dat je bij de 50-borden bent, mag je blij zijn als je nog stapvoets kunt rijden. Dat komt door onze eigenwijsheid. Wij denken wel even te kunnen beoordelen of de automatische verkeersregeling gelijk heeft of niet. Dat is ronduit idioot, want je kunt vanuit je auto nooit de hele verkeerssituatie rond een knooppunt overzien. Als we ons allemaal domweg aan toegestane snelheden die die tijdelijke borden aangeven zouden houden, dan heeft de nog relatief kleine of dreigende opstopping verderop tijd om op te lossen voordat de rest van de spits er achterop komt.

Die Gelderse Domweg ligt niet ver van de A50. Ik rijd er regelmatig langs. Vaak rond de spits. Verderop bij Zwolle wordt het dan heel druk. De spitsstrook is open en je mag maximaal 80. Normaal mag je er 100. Wie zich domweg aan die spits-snelheidslimiet houdt wordt vol onbegrip links en rechts ingehaald. 80 wordt niet begrepen en geaccepteerd als er toch een hele strook extra asfalt is. De wet overtreden is dan de norm. De verstandigen worden met de nek aangekeken. Ik probeer ook wel eens domweg verstandig te zijn, maar na een tijdje trap ik het gaspedaal dom genoeg toch maar wat verder in, wetende dat ik medeplichtig ben aan het veroorzaken van een verkeersopstopping.

Gelaten sluit ik even later aan in de door mijzelf mede-veroorzaakte file. Ineens wens ik dat mijn auto een zware militaire tank met rupsbanden is. Ik rij dan over iedereen heen die niet aan de kant gaat. Maar ik zit toch gewoon in een ongepantserd blikken voertuig en heb geen rupsbanden. Ik zucht en sluit aan. Er zit niks anders op. Ik bel vrouwlief maar weer op en zeg dat ik het domweg niet ga redden.

Opleggerkonten beter benut

Hou in het verkeer rekening met harde windstoten, zei de anwb-er op de radio. Dus netjes de handen op 10 voor 2, vervolgde de man. Ik heb mijn handen tijdens het autorijden het liefst op 10 voor half 8. Af en toe schuiven mijn handen over het stuur naar boven, richting kwart over 9 als ze elkaars nabijheid even niet meer zo goed kunnen verdragen. Of omdat ze gewoon even verzet willen worden. Een beetje vergelijkbaar met de trucker die, omdat hij al ruim 10 minuten tegen dezelfde achterkant van een andere oplegger zit te kijken, in haalt. 

Truckers halen elkaar niet in omdat ze te langzaam gaan en ook niet omdat ze haast hebben. Ze hebben gewoon even een verzetje nodig. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Op een gegeven moment ben je echt wel uitgegeken op de kont van je voorligger. Wat dat betreft worden de konten van opleggers totaal verkeerd benut. Die konten worden immers het meest bekeken door andere truckers. Daar zou je toch iets mee moeten kunnen doen om te voorkomen dat ze willen inhalen?  

Een eerste mogelijkheid is ervoor te zoren dat die kont waar hij naar zit te kijken, interessant blijft. Dus moet die kont er niet steeds hetzelfde uit blijven zien. Er moeten dus wisselende beelden en teksten op komen te staan. Geen bewegende beelden, want die leiden weer teveel af, maar beelden die elkaar om de zoveel minuten vervangen. En de informatie die erop komt te staan moet nuttig zijn voor de trucker die het leest. Bijvoorbeeld rond lunchtijd: “eerstvolgende restaurant op jouw route is bij afrit 38, 10 minuten rijden”. Geen teletekst, maar konttekst.

Een andere mogelijkheid is om aan de voorkant van iedere truck een camera te plaatsen waarvan de beelden op de kont van de oplegger komen te staan. Zo kan de trucker die naar die kont kijkt zien of het de moeite waard is om in te halen. Hierbij ontstaat een tunneleffect. Als er een hele sliert truckers achter elkaar rijdt, kan ook de achterste zien wat de voorste trucker ziet, want al die beelden worden van de voorste camera naar de achterste kont gestuurd. Dan hoeven ze dus ook nooit meer in te halen. Warempel, dat is gewoon het beste idee van Nederland! Ik schrijf me met deze uitvinding meteen in 😉