taal

Acceptatie

De taalpietlut (niet te verwarren met de kommaneuker) in mij probeert de wereld te begrijpen vanuit de letterlijke betekenis van woorden. Dat is nou eenmaal zoals mijn hoofd werkt. Dat is één van de vele normaalheden (normaal is het nieuwe bijzonder) van mezelf die ik probeer te accepteren. Maar hoe werkt dat nou eigenlijk, acceptatie? Wat betekent het überhaupt.

De Van Dale pak ik er nu maar niet bij. Deze moet ik met mijn gezonde verstand wel kunnen kraken. Accepteren is toch eigenlijk niets meer dan aanpakken wat iemand je geeft? De manier van geven laat nog wel eens te wensen over. Zoals in je schoot werpen, in je maag splitsen of voor je voeten werpen. De ander was wanhopig en moest er hoe dan ook vanaf en jij vormde op dat moment een handige ontvanger. Dat op zichzelf moet je dan ook maar gewoon accepteren.

Niet accepteren is dan zoiets als het paard terug duwen naar de gever. Je keek in de bek (ja ja, het is eigenlijk een mond) van het paard en wat je zag beviel je helemaal niet. Vlieg op met je stomme paard! Maar wat nou als het paard al heel lang onderdeel van jezelf is? Aan wie moet je dat paard überhaupt terug geven? Je hebt wel een vermoeden van de oorsprong van je paard, maar dat gaat generaties terug. Van een geërfd paard kom je dus niet af en zit er dus eigenlijk maar één ding op: acceptatie.

Bij het accepteren van jezelf zoals je bent heb je dus niet de luxe van het bestuderen van het gebit van het betroffen paard. Het is zoals het is. Dit imperfecte paard is een deel van je. In mij galoppeert en steigert een nukkige hengst die graag komma’s neukt. Niet perfect, maar ik span hem af en toe toch graag voor mijn blog-karretje. Ik heb dit paard dus geaccepteerd. Gelukkig is niemand perfect. Jij ook niet. Accepteer het maar gewoon.

Naar omstandigheden

Als iemand me nu vraagt hoe het met me gaat dan zeg ik: “naar omstandigheden goed”. Ik haal er mijn schouders maar een beetje bij op en probeer opgewekt te kijken. De vrager bedoelt het immers goed. En het gaat ook best goed met me. Omdat ik relativeer. De omstandigheden zijn inderdaad naar, maar ik maak er het beste van. Mijn glas is halfvol. Dat zeg ik de laatste tijd ook te pas en te onpas. Vooral om mezelf ervan te overtuigen, denk ik.

Omstandigheden. Een naar woord eigenlijk. En wat zijn het überhaupt voor dingen? Ze zijn in ieder geval vaag. Ja, schimmig, en staan maar een beetje om me heen. En als ik mijn blik er te lang op vestig, lossen ze op. Alsof een omstandigheid niet scherp gezien wil worden. Nogal wiedes eigenlijk, want dan is het niet langer vaag. Dus ik spied mijn omstandigheden grondig af, zodat ze in niets oplossen.

Omstandigheden hebben volgens mij altijd een beetje een ingetogen karakter. Ja, ze kunnen gunstig of zelfs ideaal zijn, maar bijvoorbeeld nooit feestelijk, gek, idioot, woest of hysterisch. Omstandigheden zijn doorgaans vrij mak, bij het laffe af eigenlijk. Hun gezamenlijke gemoedstoestand schiet nooit in het extreme. In het ergste geval zijn ze belabberd. En ze komen ook nooit alleen. Daarvoor zijn ze dus te laf. Een omstandigheid op zichzelf stelt niks voor. Pas als ze met meer zijn hebben ze impact. Daar zit dan ook hun zwakke plek. Verhulling en duisternis zijn ideale omstandigheden voor nare omstandigheden. Dus ik ga ze te lijf met een scherpe blik en een helder licht.

Hoe het nu met me gaat? Op zich goed. Ik weer me kranig tegen de nare omstandigheden, want ik zie ze voor wat ze zijn. Geloof ik.

Ontdekking

Ontdekking. Dat is dus eigenlijk letterlijk het tegenovergestelde van “dekking”. Ik denk aan schade die ineens niet meer vergoed wordt door je verzekering.  Ik denk aan het weer opruimen van borden, glazen en bestek op de tafels waar alweer niemand aan kwam zitten. Ik denk aan de abortus van een om wat voor reden dan ook ongewenst lam, veulen, kalf of kind.

En natuurlijk denk ik ook aan de blootlegging van iets dat verborgen lag. Dat kan van alles zijn. Een nieuw diersoort. Een nieuw talent. Een “nieuwe” planeet of een “nieuw” zwart gat (die zijn natuurlijk nooit nieuw). En een lijk kan ook heel goed verborgen liggen natuurlijk. Hopelijk was het geen zelfmoord, want dat is ontdekt door de overlijdensrisicoverzekering.

Huisgemaakt

Op de menukaarten van restaurants lees ik het vaak. Huisgemaakte mayonaise, huisgemaakte tiramisu, huisgemaakte pasta en nog veel meer. Allemaal huisgemaakt, vaak ook op ambachtelijke wijze. Een gekke taalconstructie, dat huisgemaakt. Z’n broertje zie je ook vaak: van ’t huis. Pasta van ’t huis is nóg ambachtelijker.

Er zijn meer woorden die eindigen op gemaakt. Zoals op, mee of over. Opgemaakt: het onderwerp is hierna  of geheel verdwenen of minder lelijk. Een meemaking is een beleving. Meegemaakt betekent dus hetzelfde als beleefd. Uit meegemaaktheid schenk ik altijd eerst mijn gasten een kopje koffie in, dan pas mezelf. Overgemaakt kan van toepassing zijn op geld of huiswerk. Als je aan de ontvangende kant zit, zit je goed.

Huisgemaakt is toch een rare hoor in dat rijtje. Het wekt de suggestie dat het onderwerp er na afloop als een huis uit zou moeten zien. Het synoniem “van ’t huis” suggereert echter dat het onderwerp ooit een stukje huis was. Ik moet ineens denken aan Hans en Grietje. Heerlijke peperkoek van ’t huis. Ik zie nu ook huizen voor me die zijn gemaakt van pasta, tiramisu en mayonaise.

Het is een gekmakend woord, dat huisgemaakt. In het restaurant vraag ik de ober waarom mijn huisgemaakte bonbons – die overigens bij de huisgebrouwen koffie van huisgegroeide koffiebonen werden geserveerd – er niet eens uitzien als huisjes. Ik stuit dan altijd op onbegrip. Af en toe is een ober nog wel eens zo lollig dat ‘ie zegt dat de maker in een iglo woont.

Huisgemaakt is gewoon een draak. Huisgemaakte pasta, tiramisu, mayonaise, bonbons en Joost mag weten wat nog meer, werden gewoon in eigen keuken gemaakt. In de keuken van ’t huis dus. Huis is hier dan weer synoniem aan restaurant. Gek genoeg hoor je nooit iemand zeggen dat ze laatst in een heel goed huis hebben gegeten. Wél in een hele goeie tent. Je zou daarom eigenlijk verwachten dat er tiramisu van de tent en tentgemaakte pasta op de menukaart van een eettent staat.

Huisgemaakt is natuurlijk een vernederlandsing van home made. Het is een anglicisme die de verwachting van hoe iets smaakt moet voorprogrammeren. Het wordt gebruikt als een soort keurmerk. Huisgemaakte producten zijn automatisch verser, eerlijker en lekkerder. De ziel van de kok zit er immers in. Dat is de gewenste beleving. Maar ik zie het zo vaak op menukaarten staan dat ik er een beetje sceptisch van word. Waarom moet het er expliciet bij staan dat iets huisgemaakt is? Bij tenten met 1 of meer Michelin-sterren verwacht ik dat alles op de menukaart huisgemaakt is. Mijn wijnglas is bovendien natuurlijk huisgeblazen, het bestek huisgesmeden en de kaasplank huisgezaagd.

Dit verhaal is natuurlijk weer volledig huisgemaakt. Er zitten zelfs diverse huisgemaakte taalconstructies in. Eerlijk en vers. Heeft het gesmaakt?

 

Het zit ‘m in

Het zit ‘m in hele kleine dingen. Hier zou “het” kunnen verwijzen naar bijvoorbeeld iets triviaals als “geluk”. Ik dacht dat ik hier iets kwijt wilde over geluk, maar ik ben plotseling gebiologeerd door dat “‘m”. Wat een bijzondere taalconstructie is het eigenlijk. Het overkomt me vaker dat dit soort dingen me ineens biologeren. Geen idee waar ‘m dat toch in zit.

Als geluk ‘m ergens in zit, dan bedoelen we dat datgene waar geluk ‘m dan in zit (meestal iets kleins), positieve invloed heeft op geluk. Tezamen betekent “zit ‘m in” dan ongeveer “hangt af van”. Maar afhankelijkheid is wel wat te sterk. Met “geluk zit ‘m in kleine dingen” bedoelen we te zeggen dat gelukszoekers juist aandacht voor kleine, eenvoudige dingen moeten hebben. Geluk is niet ingewikkeld en niet veelomvattend. Je moet er ook eigenlijk niet naar zoeken. Geluk is overal waar jij het ‘m in wil zien.

Naast geluk zitten ‘m ook dikwijls knepen in iets. Een kneep is wel iets ingewikkelds dat ‘m zit in iets dat essentieel is voor een goed resultaat. Een kneep moet je beheersen. Een kneep is een kunstje voor onder de knie. Knepen zorgen voor kwaliteit. Hier betekent “zit ‘m in” dus duidelijk “heeft vooral te maken met”. Iemand zei ooit eens tegen me: “Bij bierbrouwen zit ‘m de kneep in hoe schoon je werkt”.  Er zitten ongetwijfeld nog wel meer belangrijke kneepjes in het vak van de bierbrouwer, maar dit was blijkbaar een noemenswaardige.

En een verhaaltje zit ‘m soms helemaal niet in het onderwerp dat ik eerst in gedachten had. Terwijl ik dacht dat ik over geluk “moest” schrijven, dacht dit verhaaltje er anders over. Als ik het verhaal teveel leid, kom het op een dood spoor. Maar als ik me door het verhaal laat leiden ontdek ik prachtige zijsporen. Puur geluk eigenlijk. Verhaaltjes zitten ‘m meestal eigenlijk nooit ergens in bij mij. Het is precies omgekeerd. Ik zit ‘m zelf in mijn verhalen als ik ze de vrije loop laat.

Reetfilter

Vanaf nu hoor ik geen reet meer. Ik kan namelijk letterlijk geen reet meer horen. Ik wíl ook geen reet meer horen. Ik verdraag geen ene reet meer.

Daarom heb ik een reetfilter laten implanteren. Een aanrader wat mij betreft. Nu kan reet me geen reet meer schelen. Het doet me eenvoudig geen ene reet meer.

Achter mijn beide oren zit nu dus een miniscuul reetfiltertje die het lijntje tussen oor en brein aftapt. Zit er een reet op de lijn, dan wordt het getagd met “ruis” en doorgestuurd naar het brein. Dat brein vat het vervolgens op als irrelevant waardoor reet me geen reet meer doet. Retegoed toch?

.

Moest van poes

Blij, blijer, blijst.
Vrij, vrijer, vrijst.
Lui, luier, luist.
Sneu, sneuer, sneust.
Moe, moeër, moest.

Ik zeg eigenlijk nooit “blijst”, of “vrijst”. Misschien zou ik “sneust” nog wel eens kunnen zeggen. Maar zeker nooit “moeër”. Wel “moest”, maar niet omdat ik zo moest uitdrukken dat ik me ooit het moest voelde. Moest is de verleden tijd van moet, en ik moet niks, dus ik moest ook nooit iets. Als ik al moest, dan was het op de plee, en dan had het doorgaans een bevrijdend effect op me. Niks zo bevrijdend als heerlijk zelfsloos moeten op de plee. Heel zen dus (alsof ik daar verstand van heb, maar toch). Hoewel moeten en zen volgens mij weinig met elkaar op hebben.

Zen is in de volksmond ook een bijvoeglijk naamwoord. Iemand zei laatst tegen me dat strijken heel zen kan zijn. En katten zijn ook altijd zen. Daar ben ik het mee eens. Niets is zenner dan een kat. Katten trekken zich niks aan van regels. Katten zijn de zenste wezens op Aarde. Katten zijn te edel om te moeten. Katten mogen schaamteloos lui doen. Niets zo lui als een kat. Katten zijn het allerluist. Ze wakkeren luiheid bij je aan. Als poeslief bij je op schoot springt, zich uitstrekt en uitgebreid gaapt, voel je je ineens ontzettend moe. Je vergeet ineens wat je eigenlijk doen moest. Je moet eigenlijk helemaal niks, vind je ineens.  Je gaapt zelf ook eens flink en zakt wat meer onderuit. Je bent ineens veel te moe om te moeten. Nog voordat je hoofd tegen de bankleuning zakt, lig je, net als poeslief, heerlijk zelfloos te ronken. Je was er ook aan toe, en poes wist dat. Het moest van poes.

Gezond verstand

Volgens het NL-EN-woordenboek is gezond verstand in het Engels “common sense”. Maar voor mij voelen ze verschillend. Dus ik heb wikipedia maar eens geraadpleegd: Gezond verstand is het natuurlijke, onbedorven verstand waarmee mensen (zoals ik het begrijp tenminste) redeneren over onze waarnemingen en ervaringen. Common sense is het vermogen van (bijna alle) mensen om dingen waar te nemen, te begrijpen en te beoordelen.  In die betekenissen zit genoeg overlap om de vertaling toch te rechtvaardigen.

Common sense zou je ook letterlijk kunnen vertalen naar “gewoon waarnemingsvermogen”. Iedereen zou dit basisvermogen moeten bezitten, vandaar “common”. Volgens Aristoteles zouden zelfs alle dieren (inclusief mensen) dit vermogen in de basis hebben.  Common sense mag je dus van iedereen verwachten. Nogal wiedes. Het is een collectief verstand. Zoiets als wikipedia, maar dan offline, en natuurlijk veel betrouwbaarder.

Common sense heeft eigenlijk geen tegenovergestelde. Gezond verstand overduidelijk wel: ongezond, aangetast verstand. Common sense kun je moeilijker aantasten dan gezond verstand. Gezond, onbedorven verstand raakt bedorven door eenzijdige informatie. Door dominante vaders, propaganda, of – nogal verontrustend – door algoritmen op sociale media. Of denk ik dat omdat die zelfde algoritmen mij dat laten geloven. Hoe gezond is mijn eigen verstand eigenlijk?

Volgens mij is het sowieso altijd verstandig om te beseffen dat je je kunt vergissen. Daarvoor zijn we mens. Je common sense zit in die ene seconde van twijfel voor je met de meute mee gaat. Of je ziet op het allerlaatste moment toch af van een impulsief besluit, vanwege een onbestemd gevoel in je onderbuik. Daar huist je common sense. Misschien is gezond verstand dan wel het vermogen om op je common sense te vertrouwen.

Waarop dan?

Helaas zit het er weer op. De zomervakantie dus. Maar waarop dan? Eh… Tja, het is net zoiets als waar ’s maandags het weekend altijd op zit, maar dan groter, vermoed ik. De grootte is afhankelijk van de lengte van je vakantie, dus die van mij zal wel vrij groot zijn deze keer. Er moet ruim een maand vakantie op passen. Maatje XL-maand dus. Koffie- en lunchpauzes zitten er trouwens ook dikwijls op, dus je hebt ze ook in uren – en minutenmaten.

Wat ik me nu ook ineens afvraag is dit: Wanneer komt het er weer af? Eigenlijk let ik daar nooit op. Ik weet dat pauzes, weekenden en vakanties er iedere keer op gaan zitten, maar ik laat ze daarna volledig aan hun lot over. Ik laat ze er maar gewoon een beetje op zitten. Je kunt er immers ook niks meer mee. Ze zijn op gebruikt dus je hebt er verder niks meer aan. Als ik hun was, zou ik trouwens lekker gaan liggen in plaats van zitten. Ergens vermoed ik dat ze dat ook gewoon doen.

Weekenden en vakanties (vooral schoolvakanties) komen ook altijd ineens voor je deur staan (ze zitten nadrukkelijk niet). Pauzes gelukkig niet want dan ben je immers toch niet thuis. Tenzij je thuis werkt natuurlijk, maar dan nog staan ze niet voor de deur, want daarvoor zijn ze te klein. Ik denk eerder dat deze als een roodborstje op je raampje gaan staan tikken. Maar weekenden en vakanties staan dus op gegeven moment wel voor de deur. Weekenden doen dat steevast op vrijdagmiddag. Vakanties staan soms al wel een maand van te voren te trappelen voor je deur.

Er wordt overigens niet nader gespecificeerd welke deur dan precies, maar ik vermoed de voordeur. Het belt ook niet aan, maar gaat gewoon stoïcijns, als een huiskat, een beetje naar je voordeur zitten staren totdat je de hint begrepen hebt. Je moet er iets mee voordat ze op hetgeen gaan zitten waar ze na hun afloop altijd op willen zitten. Waarop precies, dat bepaalt het zelf. Ook weer net als een kat (deze eet vast ook de roodborstjes die ik vergeet binnen te laten). Waarschijnlijk ergens schaamteloos languit in het zonnetje op de vensterbank. Zou ik ook doen als ik mijn vakanties en weekenden was.

In gedachtes

Soms kun je zo diep in gedachtes verzonken raken dat je de wereld om je heen vergeet. ’t Is alsof je bent ondergedompeld in een warm bad. De wereld om je heen is een waas. De mensen om je heen zijn vage gedaantes. Je hoort ze roezemoezen, maar ze dringen nauwelijks tot je door. Vele secondes gaan voorbij eer je dan door heb dat iemand je aanspreekt. Hoe dieper verzonken, des te meer moeite het kost om weer uit je gedachtes naar boven te zwemmen.

Herken je dat? Nee, ik ook niet hoor. Ik ben zelf eerder in gedachten verzonken, waarbij de mensen om me heen eerder vage gedaanten zijn, en het eerder seconden kan duren eer ze tot me door dringen. Gedachten of gedachtes. Het mag allebei, maar de eerste voelt voor mij natuurlijker dan de tweede.