Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

in ieder geval

Nou, bedankt in ieder geval.

Ach, ik kreeg in ieder geval geen last van mijn rug.

En het heeft in ieder geval niet geregend.

Je hebt in ieder geval wel mee kunnen doen.

Ja, en we hebben er in ieder geval een leuke dag aan over gehouden.

We moeten dit in ieder geval eens wat vaker doen.

Je zou in ieder geval dan eens wat vaker naar me kunnen luisteren.

Ik neem in ieder geval niet alles zo letterlijk als jij.

Eh ja, daar heb je in ieder geval gelijk in.

Ha ha, mijn dag kan in ieder geval al niet meer stuk nu.

Ach, in ieder geval kan jij er nog om lachen.

In ieder geval betekent ten minste nog iets.

Tja

Tja, dat is een tussenwerpsel dat aarzeling, berusting en/of onzekerheid uitroept, volgens Van Dale. Aarzeling en onzekerheid passen dan nog goed bij elkaar, maar berusting is toch echt iets anders. Ik betrap mezelf er geregeld op dat ik ergens een tja tussen werp. En inderdaad is dat vaak uit onzekerheid of aarzeling. Door tja te zeggen, laat ik blijken dat ik even niet goed weet hoe ik moet reageren: “tja, wat moet ik daar nou op zeggen”.

Berusting is anders. Berusting is gelaten accepteren dat het niet anders is dan het is. Aan een tja van berusting gaat een diepe zucht vooraf. “Zo, zit de vakantie er weer op?”, vroeg een collega mij onlangs. Mijn tja van berusting vulde toen een heel universum.

Biladida

De bila is een 1 op 1 gesprek. De ene helft is leidinggevend (baas), de ander leidingnemend (medewerker). Terwijl ik dit schrijf, ben ik onderweg naar zo’n bila. Ik ben daarin de leidingnemer. Het is de bedoeling dat de bila gaat over de leidingnemende. Daarbij dient de baas vooral naar mij te luisteren. Elk ei dat ik kwijt moet, mag hier worden gelegd.

Buiten het feit dat ik mijn eieren nooit onder stoelen of banken leg, voelt een bila voor mij vaak niet zo. Het is soms een gesprek waarin ik de zonden moet opbiechten die ik op de werkvloer zoal bega. En soms is het een gesprek waarin de leidinggevende het woord neemt en houdt. Eigenlijk is dat het spectrum waarop de bila zich kan bevinden: van biecht aan de linker kant tot preek aan de rechter kant.

Bila is voluit eigenlijk “bilateraal”. In de medische wereld gebruiken ze “bilateraal” voor symetrische aandoeningen. Een bilaterale tenniselleboog. Iets bilateraals is een soort evenwichtig ongemak dan eigenlijk. Bilateraal betekent ook “gesprek onder 4 ogen”, waarbij de suggestie wordt gewekt dat je alleen met bilateraal functionerende ogen aan zo’n gesprek kunt deelnemen. Het zou misschien beter een gesprek onder 2 of meer oren kunnen heten, maar dat terzijde

Misschien hebben we om het gevoel van ongemak weg te nemen, “bilateraal” maar afgekort tot bila. Het klinkt al meteen minder formeel. En je kunt het ook fijn verkleinen: “Nee, 10 uur kan niet, want dan heb ik een bilaatje met de baas staan”.

Hoe cynisch het bovenstaande ook mag overkomen, ik vind de bila niet onbelangrijk. Het is een stukje onverdeelde tijd die je leidinggevende aan jou besteedt. Als de leidingnemende in de bila de leiding neemt, en de leidinggever zich vooral laat leiden, dan wordt het een evenwichtig gesprek. Zo’n gesprek ga ik zingend tegemoet: biladida, tutuuuutududu…

Gelijk krijgen

Het woordje “gelijk” kennen we in onze taal als een bijvoeglijk naamwoord (hetzelfde), een bijwoord (op hetzelfde moment) en als zelfstandig naamwoord (juistheid). Dit is dan dus een prima Nederlandse zin: “Over een gelijk gelijk gelijk gelijk krijgen”.

Als zelfstandig naamwoord is “gelijk” vaak iets dat je de ander niet gemakkelijk geeft. Zeker niet als die ander wel degelijk gelijk moet hebben. Eigenlijk maakt het niet uit of je die ander dan gelijk geeft of niet, want zij (of hij) had het immers de hele tijd al (ook als dat pas later duidelijk wordt). Dus iemand gelijk geven is taalkundig eigenlijk onlogisch. Gelijk krijgen dan dus ook. Tenzij je natuurlijk het bijwoord “gelijk” bedoelt, dan is het wel weer logisch. Ik krijg gelijk nieskriebels als ik peper op snuif. Ik geef hem gelijk lik op stuk.

Gelijk krijgen geeft soms een katergevoel. Soms zou je het liever niet krijgen. Maar tegelijk kan je ook heel verongelijkt zijn als je het niet blijkt te hebben. Het is niet eerlijk dat ik geen gelijk krijg! Op zulke momenten strijk ik dan maar weer over mijn hart. Tuurlijk mag jij ook gelijk hebben stumper. Kom maar, dan krijg jij van mij fijn een beetje gelijk. Moet je niet denken dat de ontvanger van een dergelijk gelijk dan gelijk tevreden is. Oooo nee.

Jargon, je moet ervan houden

Het is eigenlijk best een gruwelwoord: jargon. Helemaal als je het met een slappe R uitspreekt. Het klinkt als een kledingstuk dat je liever niet draagt. Moet ik echt mijn jargon aan? Die zit zo stijf en stug. Het concurreert duidelijk met harnas en korset.

Nu reis ik dikwijls met de trein naar kantoor. De 1e-klas coupé zit dan vol met reizende medewerkers van verschillende bedrijven en organisaties. Die kwebbelen in hun telefoons of – erger nog – met elkaar als ze samen reizen. En dan spreken ze openlijk en ongegeneerd in hun rare jargon. Het zit vol woorden die je privé waarschijnlijk nooit zou gebruiken, zoals uniformeren, effectueren en synergie. En vol met DLA’s (Drie-Letterige Afkortingen).

Ik merk eigenlijk dat het me stoort als ik het anderen hoor doen. Het leidt me een beetje af van het werk dat ik probeer te doen op mijn laptop. Maar ja,  ik doe het zelf natuurlijk ook als ik zit te bellen in de trein. Volkomen ongegeneerd ook.

Beroepshalve praat ik natuurlijk überhaupt Koeterwaals voor de meesten. Als infoloog bezig ik natuurlijk een erg abstract taaltje.  Daarom moet ik mijn uitdrukkingen ook regelmatig vertalen naar “Jip-en-Janneke-taal”. Simpele, duidelijke taal. Zodat mensen die weinig tijd hebben het in één keer snappen, en er dan gemakkelijk een besluit over kunnen nemen. Daarbij grijp ik graag terug op metaforen die iedereen kent.

Eigenlijk hou ik erg veel van Jip-en-Janneke-taal. Het is niet stijf of stug. Het is soepel en zit als gegoten. Eigenlijk getuigt duidelijke, simpele taal van pure taalkundige vakmanschap. Ambachtelijk bijna. Voor een simpel en duidelijk verhaal moet je even rustig gaan zitten. En daar wringt de schoen. Die tijd nemen we te weinig.

Is daarmee het kringetje rond? Is jargon tijdverspilling? Nee, niet onder jargongenoten natuurlijk. Dan is je jargon misschien toch wel weer een fijn kledingstuk waarvan je hebt leren houden. Je stijve harnas  gaat vanzelf lekker zitten, of je voelt de stijfheid niet meer omdat je zo druk met je zwaard staat te zwaaien. Jargon, je moet ervan houden.

Olifantenstaartsoep

Als we het dan toch over metaforen hebben, dan mag deze niet ontbreken: de verorbering van een olifant. Een figuurlijke wel te verstaan (en voor alle zekerheid, want ik wil niet aangezien worden voor een olifantenstroper).

Als we bezig zijn een olifant op te eten, dan bedoelen we daar mee dat er iets op het menu staat dat heel erg groot is. Het is zo groot dat we ons afvragen hoe we het in hemelsnaam naar binnen moeten krijgen. We zien er letterlijk als een berg tegenop om aan de klus te beginnen.

In figuurlijke zin representeren olifanten grote, complexe en kostbare projecten. Zoals bijvoorbeeld een nagenoeg volledige herinrichting van het informatiesysteem-landschap van een grote organisatie met de randvoorwaarde dat de bedrijfsprocessen er geen enkele hinder van ondervinden.

De vraag die dan heel logisch wordt gesteld is: Hoe eet je een olifant? Dat is een zwaar filosofisch vraagstuk. Het standaard antwoord is: hapje voor hapje. Maar dat betekent toch niet veel meer dan: niet mopperen en stug dooreten? Volgens mij moet je toch eerst trek hebben. Enorme trek in een olifant.

Nu zou je natuurlijk de olifant eerst helemaal kunnen laten slachten en verwerken tot een halve vrachtwagen vol olifanten-biefstukken, olifanten-worsten, olifanten-karbonades, olifanten-gehakt, olifanten-medaillons en Joost mag weten wat nog meer, en deze opslaan in een enorme vriezer, maar dat is tegen de regels van deze metafoor. We moeten de volledige olifant achter elkaar opeten, en vaak ook nog in een zo kort mogelijke tijd.

Gelukkig mogen we de olifant wel met meerdere mensen tegelijk opeten. Dus je moet mensen vinden die trek hebben in olifant, een groot banket organiseren en dan met zijn allen in één keer die hele olifant verorberen. Klinkt ineens heel gemakkelijk en feestelijk, maar wat nu als de op te eten olifant nog gewoon rond loopt?

Sterker nog: de olifant moet zo lang mogelijk blijven leven terwijl we het opeten (de bedrijfsprocessen mogen er immers geen hinder van ondervinden). De strategie is dan om eerst de niet vitale delen van de olifant op te eten en het vitale deel te bewaren voor het laatst. Dat deel moeten we dan in zo kort mogelijke tijd op eten. Liefst in real-time natuurlijk zodat de olifant er niets van merkt.

Maar welk deel van de olifant is precies vitaal? Meer of minder dan 80%. Vast veel meer. Maar de staart is vast niet vitaal, dus het voorgerecht kan alvast bestaan uit een krachtige olifantenstaartsoep. Heerlijk!

Metaforen

Metaforen, ik ben er dol op. Sir Terry Pratchett (moge hij in vrede rusten) schreef in het boek “Nation” dat metaforen leugens zijn om de waarheid beter te kunnen begrijpen. Metaforen zijn natuurlijk geen leugens, maar juist alom bekende en vertrouwde waarheden. De leugen van een metafoor zit ‘m vooral in de beschouwing. We beschouwen een ingewikkeld probleem eventjes als een bekend en vertrouwd probleem waar we wél raad mee weten. We liegen onszelf dan gemakshalve even voor dat de wereld niet complex is. Dat is heel menselijk.

Ik praat zelf veel in metaforen. Ik gebruik ze om iets dat ogenschijnlijk ingewikkeld is, terug te brengen tot iets dat iedereen, inclusief of misschien zelfs wel vooral ik zelf,  kan bevatten. De metaforen komen vanzelf tot me als ik er eentje nodig heb. Zo is er bijvoorbeeld de keukenverbouwing. Als ik met collega’s over een ICT-project praat, komt die metafoor vaak van pas: Als jij je keuken laat verbouwen, dan wil je toch ook dat het op tijd en binnen budget wordt opgeleverd?

Ook altijd een dankbare metafoor is de auto. Met auto’s kun je heel veel verduidelijken. Iedereen weet wat een auto is. Een auto is handig om techniek te scheiden van functie. Onder de motorkap zit bijvoorbeeld van alles dat je niet hoeft te begrijpen (techniek) om een auto te kunnen besturen (functie). Dat is erg handig als je nodeloze details uit een discussie wilt houden: De precieze werking doet er nu nog niet toe, daar kijken we wel naar als we de motorkap open doen.

Metaforen zijn altijd doodlogisch.  Bij het bouwen van een huis begin je toch ook niet met het dak? Dat snapt iedereen. Je punt wordt onmiddellijk begrepen. Bekende gezegden zijn ook vaak een uitstekende bron voor dergelijke logica: Voor we het eerste schaap erover heen lokken moeten we eerst weten of de dam stevig genoeg is.

De badkuip-metafoor is ook al zo’n mooie. Hij wordt in mijn omgeving dikwijls gebruikt. De kraan representeert een stroom van inkomend werk (issues, klachten, foutmeldingen, et cetera). Als er onvoldoende capaciteit – gerepresenteerd door emmertjes waarmee we badwater uit het bad scheppen – is om al het werk te doen, dan loopt het bad vol. Uiteindelijk dreigt er een overstroming. Een oplossing die ik dan veelal hoor is: nu eerst de kraan dicht en pas weer open als het overstromingsgevaar is geweken. Tijdelijk worden dan meer en/of grotere emmers ingezet.

En dan de zwangere-vrouwen-metafoor, ik hoor hem dikwijls: twee zwangere vrouwen kunnen toch écht niet een baby in de helft van de tijd baren. Dat is overduidelijk een valse verwachting, dat snapt iedereen. De Chinese-muur-metafoor houdt hier verband mee: Het verdubbelen van het aantal mensen dat je op een klus zet, betekent niet dat de doorlooptijd per definitie halveert. In dit geval zorgt de metafoor dan voor een waarheid die de onderliggende  valse verwachting (een leugen) bloot legt.

Dat is een goeie vraag

Het is me opgevallen dat geïnterviewden vaak hun antwoord op een gestelde vraag beginnen met: “Dat is een goeie vraag”. Waarom doen ze dat?

Andere variaties die ik hoor zijn:
“Dat is een heel goede vraag”, welke meestal vooraf gaat aan een vaag en ontwijkend antwoord (let ook vooral op de benadrukking en verlenging van “heel”).
“Dat is een uitstekende vraag”, hier is de geïnterviewde meestal erg blij (des te meer nadruk op de 2e lettergreep van uitstekend, des te blijer) dat de vraag is gesteld, en kun je rekenen op een uitgebreid antwoord.

Nu neem ik zelf niet zo bijster veel interviews af hoor. Ik baseer me grotendeels op wat ik op radio of televisie hoor. Let er maar eens op. En ik vind het ook helemaal niet storend als het mij overkomt dat iemand mijn vraag hardop goed keurt. Hoewel ik me wel afvraag hoe oprecht het complimentje is. Volgens mij is het veel meer bedoeld om een beetje meer denktijd te creëren en/of om een ontwijkende zin te formuleren om te verhullen dat je het niet precies weet.

Zelf maak ik me ook veelvuldig schuldig aan dit “fenomeen”. Het is bijna een soort reflex. Als ik antwoord met: “dat is een goeie vraag”, dan ben ik in ieder geval niet bewust bezig om de interviewer te complimenteren over de gestelde vraag. Eigenlijk is het meer een alternatief voor “eeeehm…”, maar ik kan er dan meestal wel wat zinnigs over zeggen. Als je me écht overvraagt dan maak ik dat beleefd duidelijk met: “Poeh hee, daar vraag je me wat zeg”.

Nu vraag ik het maar eens aan de lezer: Herkent je dit? En waarom begin jij je antwoorden op deze manier als je eerlijk bent?

Nou & En

Nou, daar zitten we dan.

Nou…

Ja nou hè?

Enneeeh… Ik bedoel….wat moet ik nou? Ik zit er anders nooit naast.

Nou, en dan zit je er naast. Nou én! Je bent toch ook maar een mens? Ja toch?

Nou eigenlijk…

En nou niet zeggen dat je er níet naast zat hè. Jij zat er finaal naast!

Nou zeg, ik dacht…

Nou, en wat dacht jij dan? Daar ben ik nu wel benieuwd naar.

Zeg, laat je me nou nog uitspreken? Nou?

Nou zeg! Wat ben jij ineens gepikeerd?

Nou? En wat dan nog?

Ach nou èn, laat maar zitten, ik bedoelde het niet zo. Zeg het nou maar dan.

O, nou mag ik ook wat van je zeggen. Nou, zal ik je es wat zeggen? Nou?….NOU?

…nou, toe dan

Toe dan?  … TOE DAN?  … En wie ben jij om te bepalen wanneer ik wat mag zeggen? Nou? En?

Nou zeg…

Visitekaartjes, zonde van de boom

De persoon die ik voor vandaag niet kende geeft me een klein plakje boom. Een boom die niet meer bestaat. Een boom die zuurstof voor ons maakte. Meer weet ik niet over die boom, maar ik weet dat het leefde. Geen idee ook wat voor boom het was. In mijn geestesoog zie ik een ranke stam met witte bast. Ik weet niet of berkenbomen geschikt zijn om visitekaartjes van te maken. Het boeit me ook niet. Misschien staat de stronk er nog wel. Misschien zit er nu een grote dikke berkenzwam welig op te tieren. Ook mooi.

Ik neem het plakje boom aan en stop het behoedzaam in een speciaal vakje in mijn tas.  De kans is groot dat het daar nooit meer uit komt. Eigenlijk zou ik ze moeten weigeren, maar mijn fatsoen weerhoudt me daarvan.

Ooit strooide ik mijn visitekaartjes ook argeloos rond op meetings (“ontmoetingen” dekt de lading vreemd genoeg niet), maar nu heb ik al lange tijd bewust geen visitekaartje meer. Bij het ontvangen van andermans kaartje zeg in nog verontschuldigend: “ik heb geen kaartje voor je, want ik volg een paperless beleid”. Dat klinkt nogal zwak vind ik zelf. Eigenlijk zou ik het aangereikte kaartje hautain moeten weigeren en verontwaardigd zeggen dat ik niet doe aan zinloze boomverkwisting, maar dat heurt natuurlijk niet zo. Jan Kuitenbrouwer schreef in het boekje “Lijfstijl” ook al eens over de etiquette rond visitekaartjes.

In mijn jongere jaren (ik ben uiteraard nog steeds jong), verzamelde ik visitekaartjes. Ik koesterde ze als trofeeën. Ze gingen in een chique maar neplederen mapje. De visitekaartjes van hotemetoten koesterde ik het meest, want met hun visitekaartje in mijn bezit mocht ik me tot hun zakelijke kringen rekenen. Maar hotemetoten strooien jaarlijks vijfduizend kaartjes in het rond. Wees dus niet al te teleurgesteld als je na het draaien (heeft iemand al een app gemaakt waarmee dat draaien weer letterlijk wordt?) van het telefoonnummer op zo’n kaartje deze reactie krijgt: “Met wie zegt u? Nee, daar gaat geen belletje bij me rinkelen behalve die van mijn telefoon. Ha, ha, ha! Nou dag heur, fijne dag nog”.

Zelf doe ik dus niet aan visitekaartjes. Ik vind dat zonde van de boom. Eigenlijk wil ik ze ook niet meer ontvangen. Je ziet gelukkig steeds vaker dat de mensen die jou graag aan hun netwerk willen toevoegen, gebruik maken van LinkedIn. Dat is al veel beter. Dat doe ik zelf ook. Na afloop (of tijdens de meeting) zoek je de persoon even op LinkedIn op en een muisklikje verder is je uitnodiging om “te linken” verstuurd.

Het mooie is dat je die LinkedIn-uitnodigingen ook schaamteloos kunt negeren. Doe ik regelmatig. Het is mijn netwerk, dus ben ik selectief. Een aangereikt visitekaartje negeren is natuurlijk not done. Het is te confronterend voor de gever. Eigenlijk zou ik voortaan de kaartjes van personen die ik ook zou negeren op LinkedIn, in een ongefrankeerde envelop naar het adres dat op het kaartje staat moeten sturen. Maar dat is weer zonde van de boom waar de envelop van is gemaakt.