Kinderen

Ziggopolie

Kabeltelevisie is eigenlijk een onduidelijk product. En het wordt er met digitale televisie al helemaal niet duidelijker op. Feitelijk is het een abonnement op een grote zak snoep waarvan je zelf niet mag kiezen wat er allemaal in zit. Een heel groot gedeelte van de snoep in de zak is voor de meesten niet te verteren en dan zit er tussen het snoep ook nog eens een heleboel schreeuwende, dubbelzoute pinda’s die in je mond springen, of je het nou wil of niet. Maar goed, dat hebben we met z’n allen nou eenmaal geaccepteerd. Het zou toch ook wat zijn als we per bekeken en opgenomen minuut van ieder programma zouden moeten gaan betalen. En dan kreeg je boete bij het wegzappen van schreeuwende pinda’s…

Bij Ziggo mocht je altijd kiezen uit een aantal basis-snoepzakken en kon je die aanvullen met kleinere zakjes snoep uit een bepaald assortiment. Wij namen dan maar het basispakket van zo’n 18 euro per maand, met, speciaal voor onze kleintjes, een kinderpakket van zo’n 3 euro per maand. Allemaal al digitaal snoepgoed natuurlijk. Veel betere kwaliteit en zo. Nou, het beeld is altijd heel scherp en het geluid is van mooie kwaliteit, maar het beeld kan het geluid vaak niet helemaal bijbenen. De smaak komt dan als je het snoepje hebt doorgeslikt, zeg maar. Maar ach, dat namen we min of meer voor lief.

Wij zijn helemaal niet zo veeleisend qua televisie. Een sitcommetje nu en dan, een crimietje af en toe, journaal, docu’s en kindertelevisie voor als het regent en papa even moet bloggen. Dik tevreden als dat allemaal kan. En als er niks op is, dan doen we hem gewoon uit en lezen we fijn een boekje of neuzen we wat op het internet met het laptopje. En wij houden niet van schreeuwende pinda’s. Koop die winkel maar fijn leeg dan als het jouw winkel is, maar val ons niet lastig, want wij zijn inderdaad niet gek.

En dan viel er deze week ineens een grote envelop van de Ziggo in onze brievenbus. Belangrijke informatie over uw abonnement, stond erop. De brief begint met grote blauwe letters dat er “Vanaf 1 september nóg meer te beleven is op uw televisie”. De “nóg” verwijst naar de huidige zak met snoep, die dus blijkbaar al boordevol zit met lekkers, en dat daaraan – hoe is het mogelijk? O Ziggo, wat zijn we heden blij! – nóg meer lekkers bijgepropt gaat worden. Joepiedepoepie.

De brief informeert mij verder dat steeds meer mensen digitale TV willen en dat Ziggo dat dan maar standaard maakt. Digitale TV voor alle abonnees. En blijkbaar willen steeds meer mensen ook steeds minder keuze want er staat ook: Vanaf 1 september 2011 gaat Ziggo van een grote diversiteit aan tv-pakketten terug naar drie overzichtelijke abonnementen.

Nou waren wij dus best tevreden met onze zak snoep. Hij zat veel te vol, en we gooiden eigenlijk elke dag het meeste weg, maar dat is hoe kabel-TV nou eenmaal werkt. Wat we fijn vonden is dat we konden kiezen, ook al was de keuze opzich beperkt. En nu moeten we een gat in de lucht gaan springen omdat Ziggo de keuze niet uitbreidt, maar beperkt!. En dan komt nu het zilveruitje op het blokje kaas, het geconfijte kersje op een stokje in je cocktail: onze zelf gekozen zakken snoep worden vervangen door 1 zak snoep waar een aantal snoepjes waar onze kleintjes zo verzot op zijn niet meer in zit. En we mogen er ook nog eens 4 euro en 5 cent per maand extra voor betalen. We stuiteren van blijdschap. We hossen door de straten van vreugde. Niet dus.

Gelukkig mogen we wel kostenloos op 1 september opzeggen, die vrije keuze laten ze ons dan tenminste nog wel. Op mijn todo-lijstje voor deze week staat met stip bovenaan: zoeken naar een alternatief voor Ziggo. Als er al een alternatief is. De TV-aanbieders spelen allemaal Ziggopolie alleen heet het dan anders. Misschien kan ik beter zelf gezellig, ouderwets monopolie gaan spelen met mijn gezin in plaats van de televisie aan te doen ’s avonds. De uitzending van het Journaal en die docu’s en zo missen wij dan maar en kijken die dan handig online.

Powered by ScribeFire.

Emiel op pad met papa

Emiel en papa gaan samen weg, in de auto.
De auto moet naar de garage, dus papa doet de fiets achterop.
Emiel kan zelf in de auto klimmen.
Papa tilt hem in zijn zitje en maakt zijn riempje vast.
Zo, daar gaan we dan! Zegt Papa.

Kijk, daar rijdt een bus!
Hij stopt bij de bushalte.
Er stappen mensen uit.
Emiel vindt het prachtig.
Doei Bus! roept hij.

Papa rijdt langs het weiland.
Er staan koeien in de wei.
Maar Emiel ziet een tractor.
Die is veel mooier dan een koe.
Emiel zwaait met zijn handje: Doei tractor!

Bij de garage staan heel veel auto’s.
Emiel wijst omhoog.
Ja, zegt papa, die auto staat op de brug.
Dan kan de meneer hem maken.
Auto stuk! zegt Emiel.

Papa haalt de fiets van de auto.
Emiel’s stoeltje gaat achterop de fiets.
Papa geeft de sleutel van de auto aan de meneer,
en dan mag Emiel achterop de fiets.
Één, twee… hoppekee!

Papa fietst langs de sluis.
Daar staat de brug open.
Dus we moeten wachten.
Er varen heel veel bootjes voorbij.
Emiel zwaait naar de mensen op de bootjes.
En iedereen zwaait lachend terug.

Oei, zegt papa, wat een donkere wolken.
Straks gaat het regenen.
Gelukkig heeft Emiel heeft zijn stoere regenjas aan.
Muts op!, zegt Emiel.

Nee, nu nog niet kleine vent.
Maar Papa gaat wel heel hard fietsen.

Even later ziet Emiel zijn huis.
Zijn we weer!, roept Emiel.
Papa stapt van de fiets.
Emiel mag ook uit zijn stoeltje.
Gauw naar binnen, zegt Papa.

In de keuken maakt papa koffie.
Emiel speelt met de tractor van zijn grote broer.
Emiel, kijk eens wat ik voor je heb!
Sap en koekje erbij!, roept Emiel.
Dat is lekker!

Vandaag beleefde ik tijdens mijn papadag zo’n lekker suf maar o zo fijn en stoer avontuur met mijn kleinste ventje Emiel. Het zijn die kleine momentjes waarin je dan enorm van je kind geniet. In mijn hoofd ziet het er dan net zo uit als het avontuur van Tijn op de fiets (met zijn mama) door Betty Sluyzer en Pauline Oud. Daarom schreef ik het kleine avontuur maar eens net zo op.

bron: http://www.bettysluyzer.nl


Ik heb het boekje “Tijn op de fiets” intussen al zeker 1000 keer voorgelezen aan mijn kinderen. Het is een grote favoriet. Als Pauline nou van die mooie illustraties maakt bij mijn eigen verhaaltje, dan wordt het vast net zo’n geliefd boekje.

Niks en alles

Hier gebeurt regelmatig helemaal niks. Laatst ook weer. Soms gebeurt er wel drie keer niks op één dag (een vette knipoog naar Herman Finkers). En dan ineens gebeurt er een heleboel tegelijk in een periode van een dag of 10:

Ons kleine ventje en zijn moeder werden samen 2+38. We vierden het maar op de stukjes niks die er in de plotselinge drukte nog waren.

Onze grote vent mocht afzwemmen voor B. Mijn schoenen willen nooit meer aan mijn voeten blijven zitten. Te veel trots. Het regende kadoos en pannenkoeken.

Mijn echtgenote ging een week naar een congres in Italië. Op zondag om 4 uur ’s ochtends haalde  de luchthaventaxi haar op. Toen ze in het vliegtuig zat wandelde ik met mijn vier kinderen over het Dwingelderveld. We zwaaiden allemaal even naar de wolken. In die week gingen 3 van onze kinderen op schoolreis en werd 1 kind ziek. Ik was even vader op vol vermogen. Nee, dubbel vermogen. Er viel van alles om, maar het gaf niks. De boel bleef de boel.

Die zelfde week was ook mijn laatste week bij mijn vorige werkgever, waarin op de valreep een felle discussie losbrandde over “middelwaar”. Met de smeuïge IT-details zal ik je niet vermoeien, maar het uiteindelijke resultaat van de discussie is dat er niks veranderde. Ja, inderdaad, niks.

Mijn laatste werkdag bij mijn oude werkgever werd op de voet gevolgd door een afdelingsuitje bij mijn nieuwe werkgever. Oude baan ging over in nieuwe baan. Veel nieuwe indrukken, ook nogal letterlijk op het toetsenbord van mijn nieuwe laptop.

Nu mag er wel even een tijdje niks gebeuren. Niks is fijn. Niks is lekker. Ach weet je, eigenlijk vind ik niks maar niks. Ik heb geen rust in mijn gat. Ik vaar beter bij drukte en hektiek. Dan ben ik wakker en scherp. Teveel niks stompt me af. Maar teveel drukte mat me ook weer af en dan wil ik even niks. Heel even maar. Een weekje of wat kamperen in Zweden bijvoorbeeld. Niks dan eindeloze bossen, eindeloze dagen vol niksen met mijn gezin. Heerlijk. En dan weer gauw aan het werk. Te lang niks is niks en te weinig niks ook. Niks is alles en niks tegelijk.

Powered by ScribeFire.

56 sokken!

Zaterdagavond:
4 kleine mensjes liggen heel lief te slapen.
4 neusjes tegen 4 fijn ruikende knuffels.
4 buikjes die zachtjes op en neer gaan.
4 zachte koppies krijgen een aai.
8 oogjes gaan eventjes open.
4 lijfjes woelen zich om.
4 dekentjes stop ik weer in.
4 wangetjes krijgen een kusje.
4 maal vreselijk de moeite waard.

Zondagochtend:
12 keer moeten ze heel vroeg plassen
24 keer deur open en deur weer dicht
Veel te vroeg hebben ze praatjes voor 8.
8 blote voetjes stampen op de overloop.
80 keer sist papa dat het zachter moet.
Net zo vaak zegt mama: laat ze toch.
80 keer valt papa toch niet meer in slaap.
8 kleine (en 2 grote) voeten komen van de trap
4 dorstige halsjes en 4 buikjes die rammelen
8 zoete boterhammen verdwijnen
in 4 smikkelende chocoladepastasnoeten…
Daarna helpen 8 gewassen handjes papa mee
met het vouwen van stapels schone was,
waarin minstens 28 schone onderbroekjes
en minstens 56 schone sokken,
voordat deze 4 kindjes mogen spelen!

Powered by ScribeFire.

De spin en de lekke band

Natuurlijk moest ik het vandaag ontgelden. Al dagen hadden ze erop gebroed, die donderse rakkers. Terwijl ik de slaap nog uit mijn oogjes aan het wrijven was aan de ontbijttafel, riepen ze allemaal tegelijk: “PAPAAAAAA! Er zit een spin op je hooooofd!!”

In paniek sloeg ik wild met mijn handen door mijn haren. Het huilen stond me nader dan het lachen. Bij mijn kinderen precies andersom natuurlijk. “Is ie nu weg!?”, vraag ik hees van angst. Medogenloos lachend schudden ze hun gemene tronies. “Neeeeee, hij zit op je oooooor!”. Ik slaak een ijzige kreet en spring wel een meter omhoog. “Nu zit ie op je oog!!!”. Ik peeuw nog maar eens en begin te hyperventileren. Schaterend steken ze geen helpend handje uit. “1 APRIL KIKKER IN JE BIL DIE ER NOOIT MEER UIT WIL!!!!”

Ik kijk mijn kinders nu ernstig aan. “Dat was heeeel erg gemeen”, zeg ik met gebroken stem. Ik pruil mijn mond en snik. “Ik dacht dat er écht een spin op mijn hoofd zat. Jullie weten toch dat Papa een hekel heeft aan spinnen”. Mijn dochtertje kijkt me nu bezorgd aan, maar ik heb haar nog niet helemaal overtuigd. Ik buig mijn hoofd en neem het in mijn handen. “Zo gemeen”, zeg ik heel zachtjes. Er aait nu een heel lief handje over mijn rug. “Ja, het was wel een beetje gemeen van ons”. Triomfantelijk veer ik overeind en roep: “1 APRIL!!!”.

Lachend ontbijten we verder en het lukt papa en mama om de vloed aan vervolggrapjes te dempen, want ze moeten nog wel hun boterhammetje opeten. Maar als die op zijn, zie ik mijn zoon weer broeden. Hij aait de kat die in de vensterbank zit maar schrikt dan ineens op. “PAPA! Dit is geen grapje. De band van de auto is lek!!” Ik baal natuurlijk als een stekker en begin stevig te brommen en te mopperen. “Potverdorie, en ik heb allemaal belangrijke afspraken!”. Gelukkig het is toch weer een grap. Tevreden gaan de kinderen naar school.

Het is maar goed dat het niet iedere dag 1 april is, want dat scheelt zeker een heel jaar van mijn leven.

Powered by ScribeFire.

Vloeknood

Je ziet ze regelmatig, die grote posters van de Bond Tegen Vloeken met teksten zoals “Een Vloek Stoort” of “Vloeken? Natuurlijk Niet!”. Ik stoor mij op mijn beurt dan weer aan die posters. Begrijp me niet verkeerd, ik loop heus niet de hele dag te vloeken, maar ik ben ook maar een mens. Als ik heel hard mijn teen stoot, helemaal als die teen al zeer deed omdat er eerst een hamer op is gevallen, dan móet er heel nodig een vloek uit. “Potjandorie”, doet het dan niet echt voor me. Dat is gewoon niet rauw genoeg. Hartgrondig en luid een opperwezen dringend verzoeken mij in zijn naam te verdoemen, lucht nou eenmaal ontzettend op.

Vloeken is eigenlijk vergelijkbaar met niezen. Als je lijf niest, wordt met ongelooflijke kracht je neus verlost van prikkelende stoffen. Dat is bijna niet in te houden. Veel mensen doen dat uit sociale overweging vaak wel, waardoor je neus blijft kriebelen en de niesnood nog niet over is. Als je vloekt worden met ongelooflijke kracht je hersenen verlost van pijnprikkels. Hou je een vloek in, dan blijven de prikkels in je hoofd en is de vloeknood nog niet over.

Gek genoeg hou ik me bij mijn kinderen dan wel weer in als ik moet vloeken. Ik loop dan bijvoorbeeld op mijn sokken door het huis en stap dan in een punaise. Er ontstaat dan acuut een heel hoge vloeknood. De tranen schieten in mijn ogen en mijn longen zuigen zich vol om de dreigende vloek goed kracht te kunnen geven: “GGGGOH…..”. Mijn kindertjes kijken verschrikt maar tegelijkertijd gefascineerd naar me. In hun oogjes meen ik te lezen dat ze nu extra goed gaan opletten zodat ze mijn vloek goed kunnen nadoen, dus ik buig de vloek om naar: “…WWWWAT….EENNN….STOMMMMMM….GGGGEDOEOEOEOEO!”. En láchen dat de potjes met de grote oren dan doen! Ik hink naar de bank, trek de punaise uit mijn hak en vloek binnensmonds nog een beetje na: “gmmfdmmm!”.

Powered by ScribeFire.

Lunchen met oersoep

Mijn oudste zoon leest nu op school (groep 5) over de oude Grieken. Mijn papadag is wat dit soort informatie betreft echt geweldig. Op die dag eten de kids tussen de middag hun bammetje lekker bij papa en overspoelen ze mij met alles wat hen bezig houdt. Deze keer zijn het dus de oude Grieken. Het begon met deze vraag: “Papa?”. Aan de manier waarop hij alleen dat al vroeg hoorde ik al dat er iets moois ging komen. Aan “Papa?” ging namelijk eerst een voorpretgiecheltje vooraf.

“Ja?”, antwoord ik. “Nou..um..weetje?”, gaat hij verder. “Neetje”, zeg ik automatisch. “Ja wat was er eerst, de kip of het ei?”, floept er nu uit. En daar komt de rest van de giechels. Het blijkt dus napret te zijn van iets waar hij in de klas die ochtend mee bezig was. De oude Grieken dachten erg veel na over moeilijke vragen. “Tja, wat denk je zelf?”, vraag ik terug. “Ja, het ei natuurlijk”, zegt hij vol overtuiging, “want die heeft God gewoon gemaakt”.

Nou leef ik zelf een volkomen goddeloos bestaan. Zo ben ik opgevoed. Ik heb van huis uit helemaal niets meegekregen over het geloof en ben qua Bijbel- en Korankennis volkomen blanco. Geloof was voor mij lange tijd iets met even je ogen dicht doen en je handen vouwen voor het eten of zo. Onwetendheid maakt bekrompen. De kinderen kregen op hun vorige school en van hun moeder wel het nodige mee en bekijken de wereld daarom een beetje anders als ik. Dat is ook goed. Hun algemene opvoeding is daardoor hopelijk breder dan die van mij.

“Dat zou kunnen, en ik denk dat je gelijk hebt”, zeg ik dan, “maar ik geloof niet in God maar in de Oerknal en de Oersoep”. Die woorden leveren een hoop gegiechel en gegrinnik op. Hoewel ik ook geen oersoep-expert ben doe ik toch mijn best. Ik leg uit dat het eerste leven bestond uit hele kleine beestjes die je alleen onder een microscoop kon zien. Ze zwommen in de “oersoep” (water) en bestonden uit één celletje. Die beestjes maakten kindjes zonder dat daar eieren of mama’s met dikke buiken voor nodig waren. Ze braken gewoon doormidden en elke helft groeide weer dicht.

Ik maak grote sprongen, want ik ben bepaald geen expert. Ik redeneer dus verder dat er steeds meer van die beestjes kwamen en dat die allemaal voedsel nodig hadden om die kindjes te kunnen maken. Ze gingen dus op gegeven moment elkaar opeten. Daardoor moesten ze dus zorgen dat ze konden jagen en zorgen dat ze zelf niet werden opgegeten. Aan dat ene celletje had je dus niet meer genoeg. Je moest cellen maken voor onder andere een maag, tanden en vinnetjes om weg te zwemmen voor grote enge beestjes en om zelf achter andere lekkere beestjes aan te zwemmen.

Die zee raakte dus vol met allerlei soorten zwemmende beestjes die er alles aan deden om te overleven. Met een buik vol kindertjes ben je makkelijker te vangen, dus moest je die kindjes misschien maar beter buiten je lijf groeien. Zo ontstonden de eerste eitjes. Het werd erg gevaarlijk in de zee, dus kropen ze aan land en gingen ze pootjescelletjes maken en nog veel meer celletjes want ze waren ontzettend groot. Reusachtige, verschrikkelijk enge dino’s. Ze hadden hele grote achterpoten, hele kleine voorpootjes en een hele grote bek vol scherpe tanden. Dino’s legden ook eieren om hun kindjes in te groeien. De kip zoals wij haar nu kennen bestond toen nog lang niet, maar de monsterlijke oermoeder van die kip wel. Dus, ja, het ei was er eerst, geloof ik.

De kinderen hebben het met grote ogen aangehoord. Mijn oudste denkt dan even na en zegt dan dat het toch best wel heel erg knap is als je dat van die celletjes en die oersoep allemaal kunt bedenken. Dat vind ik op dat moment zelf ook best knap. Maar langzaam bekruipt me het gevoel dat hij met “je” niet zijn vader bedoelt.

Powered by ScribeFire.

Kinderen vouwen

Mijn jongens zijn ineens fanatieke vliegtuigvouwers. Voor elk vouwde ik een heel stoer stuntvliegtuigje dat ik al sinds mijn jeugd vouw. Een grote neef die zelden op bezoek kwam vouwde er ooit eens eentje voor me. Hij liet waar al mijn vriendjes bij waren zien hoe ik hem moest gooien. Door zijn speciale vorm maakt het prachtige loopings. Ik was de koning te rijk. Het was het stoerste vliegtuigje van de straat, en hij was van mij.

Toen ik vroeg of ik ook kon leren om zo’n vliegtuig te vouwen, antwoordde mijn neef dat ik het mezelf kon leren door goed te kijken hoe het vliegtuigje in elkaar zit. Ik smeekte of hij alsjeblieft een reserve-vliegtuigje voor me wilde vouwen. Maar dat deed hij niet. Ik kon het best, zei hij. Ik stond voor een groot dilemma. Stel nou dat ik het níet kon. Ik moest het stoerste vliegtuigje van de buurt opofferen om er achter te komen of ik er zelf eentje kon maken.

Aanvankelijk stelde ik het een tijdje uit. Het vliegtuigje zette ik op een speciaal daarvoor vrij gemaakt plekje in mijn speelgoedkast. Het was zowat mijn kostbaarste bezit. Ik speelde er alleen heel voorzichtig mee, want ik was veel te bang dat hij zou scheuren. Maar zo had ik er eigenlijk helemaal geen lol van. Dus op een dag besloot ik om te proberen er zelf ook eentje te vouwen.

Met chirurgische precisie ontleedde ik het tuigje dat mijn neef voor me had gevouwen. Het bleek te bestaan uit twee in elkaar geschoven delen: de vleugel en de staart. Ik vouwde ze helemaal open tot ik een vierkant stuk en een smal rechthoekig stuk had. De lange kant van het rechthoekige stuk paste precies tegen het vierkante stuk. Het was gemaakt van een enkel vel briefpapier. Ik had het bouwschema ontrafeld, en het zag er eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld uit.

Mijn eerste zelfgevouwen exemplaar deed het wel, maar maakte grillige vluchten. Het vliegtuigje dat mijn neef had gevouwen vloog loepzuivere lussen. Mijn eigen tuigje zag er ook veel minder strak uit. Ik moest vast veel netter vouwen. Over mijn tweede vliegtuigje deed ik haast wel een half uur. Met het puntje van mijn tong uit mijn mondhoek – nog steeds een teken van opperste concentratie in mijn geval – legde ik elke papierpunt precies goed en maakte ik de vouwen superstrak. Het resultaat was verbluffend. Ik zag meteen dat deze perfect zou vliegen. En hoe!

Mijn eigen jongens waren ook de koning te rijk met het vliegtuigje dat ik voor ze had gevouwen. Ik vouwde het waar ze bij zaten en zei dat ze goed moesten kijken hoe ik het deed. Nu ben ik natuurlijk hun vader en niet, zoals mijn neef, zelden hier om nieuwe vliegtuigjes te vouwen, dus mijn jongens pakten het veel minder dramatisch aan als ik. Ladingen A4-tjes werden er verbruikt in de hoop dat het volgende baksel wel perfect zou vliegen. Intussen ligt hier nu een hele vloot papieren stuntvliegertjes die het allemaal nog lang niet zo goed doen als die van mij. Ieder vliegtuigje wordt vol trots ter keuring aan mij getoond. Ik wijs ze dan op de slordigheidjes zeg steeds dat ‘ie echt wel goed zal vliegen als ze heel precies vouwen. Natuurlijk vind ik ze stuk voor stuk de schitterendste vliegtuigjes die ik maar kan bedenken.

Opvoeding lijkt soms eigenlijk net vliegtuigjes vouwen. Slordig gevouwen kinderen vliegen elkaar en hun ouders vaker in de haren. Een slordige vouw ontstaat als je tegen de vezels van je kind in wrijft, of als je spontane vouwen niet goed begeleidt. En soms moet een koppige ouwe vader zich ook wel eens door zijn kinderen laten bijvouwen naar een betere vorm. Heel moeilijk hoor dat laatste, heel erg moeilijk.