Fratsen

Rare fratsen

Het punt van de punt

Dit is een zin. Dit niet. De grammatica heeft daar, taaltechnisch, een punt. Persoonlijk vind ik zin 2 best zinnig in zijn context, maar technisch is het inderdaad geen zin. En dat is ook precies het punt van dit verhaal. Een ónzijdig punt dus. Punten kunnen ook zijdig zijn. Denk aan de punt van je neus, of van je schoen of van het leesteken: “punt”.

Het punt van het leesteken de punt is dat het een zin termineert. De komma last slechts een pauze in, zie daar, waarna de zin verder gaat. Het punt is dat een zin die eindigt met een komma niet af is. Een punt maakt de zin af. Zinnen kunnen, net als i’s, niet zonder punt. Wel zonder komma. Weer geen zin dat laatste. Eigenlijk was het een voortzetting van de zin daar voor. Die zin eindigde in een premature punt. De grammatica gebiedt mij die punt te vervangen door een komma, maar dat staat me tegen. 

Mijn punt is dat ik de pauze waarin de komma voorziet, gewoon te kort vind. Een komma kan het momentum van een zin niet breken, zodat deze door kan rollen. Tot het einde. Daar heb ik dus moeite mee. Ik wil eigenlijk een zwaardere komma die de zin even helemaal lam legt. Zodat het weer helemaal opnieuw op gang moet komen.

De puntkomma kan dat op zich wel; maar van de grammatica mag ik na de puntkomma, strikt genomen, geen hoofdletter gebruiken; tenzij het een eigen naam betreft. Een puntkomma laat de zin nog steeds haar verband behouden, hoe lelijk het er ook uit ziet. Ik wil zinnen helemaal uit hun verband kunnen trekken. Dus gebruik ik lekker de punt. Punt uit en daarmee basta!

Gerda’s heldendaden

De verkoper wreef genoegzaam in zijn handen toen hij de blonde dame in mantelpak de showroom zag binnen lopen. Ze liep recht af op een glanzend opgepoetste occasion. Een metallic grijze Renault Megane Cabrio die een maand geleden nog helemaal om een boom gevouwen had gelegen. De wagen was eigenlijk total loss verklaard, maar toch stond hij hier in de showroom te glimmen als een verse hondenkeutel in de maneschijn.

De mannen in de workshop hadden de wagen weer rechtgetrokken, uitgedeukt en opgekalefaterd met allerlei onderdelen van de sloop. Eigenlijk was het onderstel van de wagen helemaal ontzet geweest waardoor het behoorlijk verzwakt is, maar dat zie je niet aan de buitenkant. Ja, alleen een echte Renault Expert zou het heel misschien kunnen zien als hij op een afstandje recht voor de auto hurkt en met één oog dichtgeknepen langs de auto kijkt. Dan zou hij heel misschien opmerken dat de achterwielen niet helemaal recht achter de voorwielen staan. Het gaat om millimeters, dus dat ziet echt niemand.

De blonde zakendame loopt verlekkerd om de cabrio heen. “Mooi hè”, zegt de verkoper,  “net binnengekomen, echt een plaatje”. De blonde dame kijkt op en neemt een iets meer onverschillige houding aan. “Doet het elektrische dak het?”, vraagt ze dan. De verkoper zwaait de bestuurdersportier open en zet de wagen op contact. De achterkant van de auto vouwt zich even later zoemend open en het dak ontvouwt zich.

Niemand merkt de kleine spichtige gestalte op die op dat moment langs de auto loopt. Ze draagt nog wel een knalgele regenjas met daaronder felrode regenlaarzen. Maar daar is ze wel aan gewend. Niemand merkt Gerda op. Ze is erg onopmerkelijk. Eigenlijk is alles opmerkelijker dan Gerda. In haar aanwezigheid vinden mensen ineens spelden in hooibergen omdat ze plotseling in het oog opspringen.

Voor Gerda is dit natuurlijk nogal frustrerend. Op vierjarige leeftijd vergat zelfs haar eigen moeder dat ze bestond. Ze was hiervoor in therapie gegaan bij een psycholoog, maar ook die beste man vergeet steeds dat ze zijn patiënt is. Maar ze had nog geen dag spijt gehad van haar besluit om naar de psycholoog te gaan, want daar had ze de eerste persoon ontmoet die haar wel opmerkte. Een ongelooflijk vreemde kerel met woeste haren en borstelige wenkbrouwen. Hij had haar heel indringend aangekeken met zijn fonkelende ogen. Otto, zo heette hij.

Maanden na hun eerste ontmoeting stond Otto ineens naast haar. Ze maakte, ver na sluitingstijd, een nachtelijk wandelingetje door het Rijksmuseum. Als je aan hyperonopvallendheid lijdt, dan is gratis toegang tot musea één van de geneugten. Toen ze voor de Nachtwacht stond, stapte er ineens een enorme gozer met een woest kapsel uit de schaduw. “Schrik niet”, zei hij, “ik ben het, Otto”. Ze schrok zich rot en in een reflex hield ze haar adem in en maakte zich zo onopvallend mogelijk. “Doe geen moeite, ik zie je heus wel”, zei Otto rustig.

Ze hadden lang gepraat daar bij de Nachtwacht. Otto had haar geadviseerd om te proberen haar uiterst zeldzame eigenschap om te buigen in iets positiefs, iets waar ze voldoening van zou krijgen. Iets waarmee ze anderen helpt de dingen te zien die voor hen gemaskeerd worden. En daarom loopt ze in de showroom van deze oplichter. Ze had gezien hoe de Cabrio eruit had gezien. Hoewel ze bewondering had voor het resultaat van het werk aan deze auto, wilde ze voorkomen dat de blonde vrouw de auto zou kopen.

De blondine liep om de auto heen. Haar hoofd een beetje schuin. Voor de auto zet ze langzaam enkele passen naar achteren. Gerda zwiert draaiend met haar regenjas langs de auto. Plotseling fronst de blondine haar wenkbrouwen, “Is deze wagen echt ongevalvrij?”, vraagt ze dan. “Ja hoor mevrouwtje, 100%”, zegt de verkoper zelfverzekerd, maar er parelt een dikke druppel zweet onder zijn toupetje vandaan die hij snel wegdept met een zakdoek.

De blonde vrouw hurkt dan naar beneden en kijkt met één oog langs de linkerzijde van de auto. “Ik zou anders zweren dat die achterwielen ietwat naar links staan ten opzicht van de voorwielen hoor”, zegt ze dan verontwaardigd. “Maar mevrouwtje…”, probeert de autoverkoper, maar de blondine kapt hem bits af: “Niks mevrouwtje! Verkoop dit wrak maar aan een ander!”. Gerda rent langs de verbijsterde verkoper en plukt zijn toupetje van zijn kop. Ze gooit het giechelend omhoog en huppelt voldaan de winkel uit, achter de nuffig stappende blondine aan.

Otto redt de paashaas

De ochtend gloort kil. Het is 3 graden onder nul en er dwarrelt motsneeuw naar beneden. Alle kindertjes liggen nog op één oor in hun warme bedjes. Buiten, in een te witte wereld voor de tijd van het jaar hopt de paashaas. Hop, hop, hop. In zijn pluizige voorpoten heeft hij een mand vol eieren. Anatomisch zijn hazen daar eigenlijk niet toe in staat, maar als een dode visser weer tot leven kan komen, dan is dit maar een eenvoudig wonder natuurlijk.

Met zijn hazelippen kan de paashaas nog iets wonderlijks, iets wat normale hazen ook niet kunnen: grijnzen. En al grijnzende verstopt het overal zijn bonte eieren. Nou ja, verstoppen is het juiste woord niet. Want de kindertjes moeten ze wel kunnen vinden natuurlijk. De paashaas zet ze zo neer dat ze in het oog springen voor mensjes met een ooghoogte van 4 turven.

Over het stoppelveld hopt de paashaas met zijn magische mandje met eieren. In werkelijkheid is het natuurlijk gewoon een kunstmatige wormhole naar de geheime voorraad bonte eieren. Is natuurlijk wel zo praktisch. Voor de paashaas is het de normaalste zaak van de wereld. Hop, hop, hop. Verder gaat zijn weg. In de verte steekt een dak met een rokende schoorsteen boven de ochtendnevels uit. Daar wonen vast ook kindertjes. Nietsvermoedend hopt de paashaas af op het gevaar.

Knarf, de afschuwelijkste kater ter wereld, sluipt onhoorbaar door het witgerijpte gras. Hij hoorde zijn prooi al van kilometers afstand aan komen stampen. Het domme beest doet niet eens moeite om niet op te vallen. De witte wieven op het veld maken dat Knarf op zijn beurt geen moeite hoeft te doen om onzichtbaar te zijn. Hop, hop, hop. De paashaas komt dichterbij.

De geur van een malse, kingsized haas, dat zelfs een toetje met zich mee draagt, maakt Knarf wild. Een dikke druppel heet kwijl vormt zich in de hoek van zijn lelijke, scheve bek. Knarf’s kwijl heeft een ongewoon hoge PH-waarde. Het heeft iets te maken met Indiase curry… Onvermijdelijk valt de druppel op de bevroren aarde: TSSSSSCH! Plotseling staat de paashaas stil. Wat was dat voor geluid?

Achter de paashaas klinkt dan een ander vreemd geluid: fwwwwwoep! Verschrikt draait de paashaas zich om. “Hi”, zegt Otto de Magiër tegen de paashaas, en dan: “Oooo, shit nee”, als hij ziet dat zijn monsterachtige huisdier de aanval heeft ingezet. “KNARF! FOEI!”, buldert Otto over het veld. Maar Knarf is niet onder de indruk. Grauwend als een panter rent de moordlustige, schele kater op de twee paashazen af.

Blikemsnel duikt Otto naar de van paas aan de grond genagelde angsthaas. Snel fwoept hij zichzelf en de paashaas naar een plek kilometers verderop.  “Voortaan blijf je beter maar uit de buurt van Knarf’s jachtgebied, je was bijna het haasje. Ha ha ha! Haasje! Vat jum?”. De paashaas kijkt Otto meewarig aan en schudt zijn nog immer grijnzende kop. “Ik heb geen tijd voor je flauwe grapjes”, zegt de paashaas chagrijnig. Dan draait het zich om en hopt in de richting van het vredige slapende dorpje verderop.

“Ho ho, krijg ik geen beloning?”, roept Otto verontwaardigd. De paashaas stopt en slaakt een diepe zucht. Geërgerd gooit het zonder om te kijken één vrolijk gekleurd eitje over zijn schouder. Otto peutert meteen het folietje eraf. Witte chocola. “Hee, heb je geen puur!?”, roept Otto de paashaas verontwaardigd na. En dan doet de paashaas weer iets dat hazen anatomisch niet kunnen aangezien ze geen middelvingers hebben…      

Electranozel

Stel je hebt een (electrotechnisch) installatiebedrijf. En stel dat je klanten voornamelijk bestaan uit onnozele halzen. In dat geval verkeer je in de ongekende luxe om belachelijke tarieven te hanteren.

Zo wilde ik (onnozele hals op het gebied van electra) een extra groep laten plaatsen in de meterkast. Een lokale installateur durfde daar maar liefst 180 euro voor te rekenen, waarvan 75 euro aan materiaalkosten. Voor één enkele groep. En die 180 euro was exclusief het aanleggen van eventuele nieuwe leidingen.

Ik vond dit een dermate afschrikkend bedrag dat ik eens ben gaan rondneuzen op het internet en rondvragen binnen mijn kringetjes. Is het plaatsen van een nieuwe groep dan zo specialistisch dat daar zulke belachelijk hoge kosten tegenover mogen staan? En welk materiaal wordt dan gebruikt? In mijn geval ging het over het bijplaatsen van een aardlek-automaatje (een Alamat, in vaktaal). Nieuw zou zo’n automaatje tussen de 20 en 50 euro kosten, afhankelijk van het merk en type van je groepenkast. Veel installateurs hanteren dus standaard 75 euro voor die “materiaalkosten”.

Uiteindelijk heb ik op Marktplaats twee gebruikte alamatjes van exact hetzelfde merk en type als ik al in de meterkast heb zitten gekocht voor 30 euro. En het kostte me een klein kwartiertje om één zo’n alamat in de groepenkast te klikken en aan te sluiten. Zo heb ik dus “even” 150 euro bespaard.

Ik durfde dit aan omdat mijn onnozele boeren-logica mij twee dingen voorhield: ten eerste zijn mijn huidige alamats in 2005 geplaatst, en ten tweede mag je verwachten dat zo’n alamat 30 jaar of langer mee gaat. Kortom: het aanschaffen van een gebruikte alamat van hetzelfde type kon ik me geen buil aan vallen. En deste groter was mijn euforie toen ze inderdaad relatief eenvoudig én veilig zelf te monteren bleken en dat het huis niet in brand vloog.

Uiteraard verwacht ik nu dat heel electrotechnisch Nederland mij – de onnozele hals – nu de les gaat lezen over veiligheid, normen en garanties en zo die hun exorbitante tarieven rechtvaardigen. Kom maar op! Lees me de les maar. Ik wordt er hooguit meer electranozel van.

Frankeerservice

Frank de edelman aanschouwt zijn edele aanblik in de goudomrande spiegel aan zijn wand. En terwijl hij zichzelf aanbidt denkt hij: “Wat egoïstisch eigenlijk dat alleen ikzelf van mijn edele trekken mag genieten. Eigenlijk zou iedereen mij moeten kunnen aanbidden ende verafgoden”. En dat brengt Frank op een – zo vindt hij zelf – volstrekt lumineus idee: De Frankeerservice.

Frank laat zich in diverse edele posen portretteren door ’s Lands beste fotografen. Het mag wat kosten. En omdat ook edelen met hun tijd mee moeten gaan, laat Frank een heuse Frankeer-app ontwikkelen. Zo kan het gewone volk hem comfortabel in hun armetierige zithoekjes in hun peupelige woonkamertjes eren. En dat natuurlijk tegen uiterst billijke – en Frank gniffelt zelfingenomen –  frankeertarieven.

Frank rekent eenvoudigweg 50 Euro per minuut, om het laagdrempelig te houden, zo redeneert hij. Per slot van rekening zijn dat de kosten van het reinigen van een adelijke reet na een adelijke boodschap. Geen geld dus. En voor diegenen die hem onbeperkt willen eren – en wie wil dat nou eigenlijk niet? – heeft Frank ook een flat fee bedacht: Voor slechts 50 Euromeiers per maand mag je Frank in een edele pose naar keuze permanent als achtergrondje op je iPad installeren.  

 

Tja, typisch geval van onspiratie mijner zijde. Wat een bagger dit. Ik mag wel uitkijken, want straks mag ík ook milieubelasting gaan betalen.

Otto’s werk

Hij zou natuurlijk ervoor kunnen zorgen dat “toevallig”, precies wanneer hij het nodig heeft, er geld uit de lucht valt of op straat ligt. Hij kan er dan zelfs nog voor zorgen dat het alleen geld is van bijvoorbeeld een te dik betaalde bankdirecteur. Dat is allemaal niet zo moeilijk,. Otto hoeft maar met zijn grote harige vingers te knippen en de bankbiljetten waaien spontaan naar hem toe, of liggen ineens, zomaar op straat. Toch vindt Otto dat hij ook op een normale manier de kost moet verdienen, dus heeft hij een eigen bedrijfje opgericht.

Otto de Magiër is namelijk freelance rioolontstopper. Hij heeft geen kantoor, geen website en zelfs geen telefoonnummer. Alleen een postbusnummer. Otto komt zelf wel naar je toe als dat nodig is. Als alle andere rioolontstoppers hebben gefaald, staat ineens een vreemde, lange snuiter (die je wel wat doet denken aan Cramer, de buurman van Jerry Seinfeld) voor je deur.  Hij heeft geen gladde praatjes, alleen een jute zak met metalen pijpen erin, zo te horen. Hij belt niet aan, maar staat ’s avonds ineens voor je deur als jij net de brievenbus gaat legen, of de poes gaat roepen, of wat dan ook. “Ik kom u verlossen van uw rioolprobleem”, zegt Otto eenvoudig en met onweerstaanbare overtuiging.

Dus je laat Otto natuurlijk binnen. In je huis loopt hij feilloos naar de juiste plek en haalt twee korte stukken metalen pijp uit de jute zak en schroeft ze aan elkaar. Aan het ene uiteinde monteert Otto dan een zuignap van zo’n gootsteenontstopper, maar dan met een groot gat erin,  en aan de andere kant iets dat lijkt op een mondstuk van een didgeridoo. Verbijsterd zie je vervolgend hoe Otto de zuignap op de afvoer duwt en dan het mondstuk naar zijn mond brengt. Otto zet zijn voeten een eind uit elkaar, neemt een astronomische (vrij letterlijk eigenlijk) hap lucht en bespeelt met een resonantie die je hele huis laat trillen op haar fundering, jouw rioolleiding. Je weet niet wat je ziet, en al helemaal niet wat je hoort.

Na een minuutje of wat stopt Otto en kijkt je ernstig aan: “Ik heb het probleem gevonden en kan het verhelpen. Wilt u dat?”. U knikt heftig van ja waarop Otto een papiertje tevoorschijn tovert: “Dat kost dan 50 euro, wat u overmaakt op dit rekeningnummer”. Je neemt het papiertje aan en knikt. Je weet ook niet helemaal wat je overkomt. Otto’s aanpak is zo bizar dat je je niet kan voorstellen waarom het niet zou kunnen werken. Bovendien ben je wat deze rioolverstopping betreft nogal aan het eind van je Latijn. Dus je stemt graag in met Otto’s voorstel.

Otto draait eens goed met zijn grove schouders en verzet zijn voeten. Dan sluit hij zijn ogen en neemt een nog grotere hap lucht dan zoëven. Hij zet het mondstuk van zijn instrument weer aan zijn mond en begint weer te spelen. Het geluid is nu anders. Iets begint los te komen, zo klinkt het. Het volume wordt groter, en tegelijkertijd wordt de toon lager en lager. Ineens klinkt er buiten een enorme klap, en dan klinkt het geluid helemaal goed. Je weet nu dat je rioolleiding niet langer verstopt zit en zelfs brandschoon is van binnen. Otto speelt nog even door, maar stopt dan en zegt: “Zo, klaar”. Bedaard schroeft hij zijn bizarre didgeridoopijpgeval weer uit elkaar en stopt het terug in de jute zak. Hij laat je verbijsterd achter en je maakt meteen 50 euro over op het rekeningnummer dat die vreemde snuiter je heeft gegeven.

De volgende ochtend zie je de auto van de overburen. Het deksel van de put ernaast ligt op het dak van de auto, evenals de totale inhoud van jouw rioolleidingen. Je knippert even met je ogen, maar onder het motto van “mijn naam is haas en bovendien gelooft toch niemand mijn verhaal”, stap je met een boei van een kop snel in je auto en rijdt gauw naar je werk.

Oprit sneeuwvrij maken, Otto-style!

– Good evening, Bindi Restaurant, how can I help you?

– Yes good evening, it’s me, Otto.

-O, it’s you, how much Widower do you wish to order tonight (chuckle, chuckle)?

-The usual of course, two kilos.

-Hihihihihi (nerveus), you sure wish to make your wife a widow, don’t you Mister Otto.

-Yes, indeed, sort of, yes.

-Allright sir, it will be ready in about 20 minutes…(de Indiër aan de andere kant van de lijn brabbelt iets in zijn moeder’s taal tegen de kok)

-Excuse me, what was that?

-Nothing sir, the cook wanted to know what on earth, in spite of you being our best customer, you keep ordering such ridiculus amounts of the world’s hottest curry for.

-O, it’s actually not for myself hoor. It is for my cat. He loves the stuff!

-Er, did you just say you feed our Widower to your cat, sir?

-Yes, my cat indeed. He can’t get enough of it. Have it prepared on time as always. (klik, Otto legt de hoorn van zijn ouderwetse telefoon met draaischijf op de haak).

Knarf, de lelijkste en gevaarlijkste kater op deze aardkloot, strijkt langs Otto’s benen en brengt een geluid voort dat spinnen moet voorstellen, maar klinkt als het geluid van een vette Harley Davidson die 2 straten verderop komt aanrijden. Het is etenstijd. Otto moet opschieten, want hij riskeert dat hij weer een nieuwe stoel moet kopen. Als Knarf honger heeft, wordt hij nogal aggressief en reageert dat het liefst af op Otto’s stoel.

In een steegje in Grantham (Engeland) verschijnt, na een zacht “fwwwoep!”, een enorme gozer met een woest kapsel. Met grote passen baant Otto de Magiër zich naar Bindi Restaurant en loopt naar binnen. Al gauw wordt hij opgemerkt door het personeel. “Ah, mister Otto, nice to see you again”. Otto maakt zich zorgen om zijn stoel dus hij wil zo snel mogelijk terug naar huis: “Do you have my two kilos of Widower ready?”, vraagt hij daarom botweg. Het valt meteen helemaal stil in het restaurant. Een vrouw slaakt een kreetje. De Indiër kijkt geschrokken om zich heen en neemt Otto snel mee naar achteren: “Here it is sir, with an extra but complimentary 5 Naga Infinity’s added so we are sure to kill your cat this time, yes?”, en de man geeft Otto een vette knipoog. Otto grijnst tevreden en betaalt. Dan haast hij zich het restaurant uit, met een grote bak Widower onder zijn arm. De Indiër rent hem achterna: “Sir, your change!”. Maar Otto hoort hem niet meer. Buiten ziet de Indiër Otto een doodlopend steegje in rennen, en hij rent er achteraan. Maar bij het steegje aangekomen is Otto natuurlijk in het niets opgelost.

Thuis staat Knarf al met al zijn haren overeind en een enorme dikke staart de favoriete stoel van Otto te intimideren. Maar als hij Otto ziet verschijnen, begint hij zo hard te spinnen dat de glazen in de kast meerammelen. Otto kwakt de hele inhoud van de bak met Bindi’s Widower in Knarf’s trog. Knarf valt meteen aan. Met ongeloofelijke snelheid werkt hij de 2 kilo’s heetste curry ter wereld naar binnen. De trog wordt schoon leeg gelikt. En dan is het wachten geblazen voor Otto. Deze keer duurt het nog geen vijf minuten voor Knarf begint te kokhalzen. Zou het door de extra Naga Infinity’s komen? Knarf kokhalst en kokhalst en kokhalst. Eerst braakt Knarf een enorme, dampende haarbal uit. Het is een flinke deze keer. Toch zeker 2 à 3 ons, schat Otto.

Knarf is opgehouden met kokhalzen. Hij kijkt Otto vreemd aan. Nou kijkt Knarf mensen sowieso vreemd aan, want hij is nogal scheel. Bovendien haat hij mensen, dus als hij je al aankijkt is het met enorme minachting en cross eyed. Otto verdraagt hij om redenen die Otto zelf ook niet helemaal begrijpt. Nu kijkt hij Otto bijna hulpeloos aan, wat belachelijk is voor een kater dat vorige week nog een volwassen wild zwijn ving in het bos. Otto weet dat Knarf zich nu hondsberoerd voelt. Er moet nog iets uit. Er klinkt een diep geborrel uit de maag van Knarf, en hij begint weer te kokhalzen. De spasmen van Knarf’s lijf zijn nu zo heftig dat hij achteruit en ongecontroleerd met zijn grote kop van links naar rechts kronkelend door de keuken kruipt. En als Knarf z’n beide ogen dichtknijpt en zijn bek wijd open spert springt Otto naar voren met een teiltje en duwt het onder Knarf’s bek. Net op tijd, want dan spettert de kater een vieze, grauwe, stinkende en bruisende vloeistof in het teiltje. Een paar eetlepels, hooguit. Knarf kruipt met een voldane, maar ook beschaamde blik onder de tafel om zich eens uitgebreid schoon te likken, om te beginnen bij z’n gat.

Snel, voordat Knarf’s gal door de bodem van het teiltje heen vreet, giet Otto het spul in een keramieken kruik. Het is een heel potent goedje. Het is het beste verfafbijtmiddel dat Otto kent. Het lost tevens alle lijmsoorten op. Eigenlijk lost bijna alles er in op. Vanavond wilde Otto eens kijken of je er ook snel je oprit sneeuwvrij mee krijgt. Dus hij doet een paar druppeltjes in zijn grote gietijzeren tuingieter en vult het snel bij met water, voordat de gieter geen bodem meer heeft. God, wat stinkt het toch. Met zijn neus dichtgeknepen, giet Otto behoedzaam de inhoud van de gieter leeg over zijn oprit. Het resultaat is verbluffend. Sissend verdampt de sneeuw, maar er gebeurt meer. De klinkertjes worden ook nog eens brandschoon geëtst. Otto’s oprit is binnen luttele momenten niet alleen sneeuwvrij, maar ook vrij van alle mos en groene aanslag. Zelfs Otto is verbijsterd. Om zich een houding te geven lacht hij maar eens manisch: MOEOEOEHAHAHAHAHAAAAA!

Hoe haalde Johannes het ook in zijn razende bol

Op de dag dat de wereld had moeten vergaan, op mijn verjaardag for crying out loud, strandt er een bultrug op de Razende Bol. Bultruggen kunnen heel goed overweg met ondiepe zeeën zoals de Waddenzee. Toch liep dit dier vast op een zandbank. Maar Johannes hoefde niet te vrezen, want dankzij de dappere lieden van de Ecomare kwam hij prompt weer vrij. Dat moest. Bultruggen horen niet te stranden. Dat is tegennatuurlijk natuurlijk. Hoe haalt dat domme beest het ook – ik kon de woordgrap niet nalaten – in zijn razende bol. 

Dankzij Johannes hebben we er nu een gezegde bij: alleen een bultrug strandt twee keer op dezelfde zandbank. Dom zeg. Ja, maar wat nu als Johannes met opzet op die zandbank wilde stranden? Hij verzette zich toch bij de verwoede reddingspogingen? Hebben ze eigenlijk wel geprobeerd met Johannes te communiceren? Er loopt vast wel ergens een bultrugfluisteraar rond. Dan hadden ze misschien kunnen weten dat Johannes zwaar depressief was. Kotsmisselijk van het slechte milieu. Johannes was misschien wel gewoon klaar met leven. 

Ik was blij toen eindelijk werd besloten om het dier met rust te laten. Let it be. Nu is Johannes doodgelukkig. In de lucht boven de Razende Bol draaien aasgieren rondjes. Het water loopt ze uit de bek. En als ze Johannes tot op het bot hebben afgekloven slepen ze zijn geraamte naar Leiden. Ik zie het voor me. Tegen een bleke hemel afgestoken fladdert in het gloren van de kille ochtend een groep machtige aasgieren met een 12 meter lang bultrugskelet in hun klauwen. Van Texel naar Leiden. Van lijden naar Leiden.  

12-12-12, geen paniek!

Op 12-12-1970, vandaag precies 42 jaar geleden stierf een Belgisch astronoom en uurwerkmaker: Louis Zimmer. Hij is nog steeds ereburger van Lier en maakte de Jubelklok (zie de foto rechts) die nog immer prijkt op de Zimmertoren in Lier.

Het was ook de geboortedag van actrice Jennifer Connelly die in de fantasyfilm “Labyrinth” de rol van Sarah speelde en haar vervelende kleine broertje naar de wereld van de goblins wenst, waar goblinkoning Jareth (gespeeld door en op het lijf geschreven van David Bowie) regeert.

En met die bijzondere gebeurtenissen en nog de eerste verschijning van Jan,  Jans en de Kinderen in de Libelle, moet ik mijn eigen geboorte dan maar delen. Vandaag, op de allermooiste datum van deze eeuw ben ik op de kop af 42 jaren oud (ik bel je wel als ik wens te worden behaagd met welgemeende felicitaties…).

42. In Douglas Adams’ Hitchhiker’s Guide to the Galaxy (HHGTTG) draait het bestaan van de planeet Aarde om dat getal. In die hilarische fantasy moet de Aarde, op een donderdag, tijdens lunch plaats maken voor een nieuwe intergalactische snelweg, dus wordt de Aarde gesloopt. Arthur Dent, wiens huis diezelfde ochtend om vergelijkbare redenen werd gesloopt, overleeft dit alles omdat hij een lift krijgt op een buitenaards ruimteschip. In een belachelijk avontuur leert Arthur over een super-intelligent interdimensionaal ras dat Deep Thought creëerde, een superkrachtige computer die het antwoord moest vinden op een heel moeilijke vraag: Wat is de betekenis van het leven, het universum en alles?

42 bleek het antwoord. Maar de berekening duurde zo lang dat men toen al niet meer wist wat de vraag ook al weer was, dus werd een andere computer gemaakt die de vraag waarop 42 het antwoord is moest berekenen. Deze computer, en tevens onze geliefde planeet Aarde, werd dus enkele minuten voor het klaar was met het programma dat 10 miljoen jaar had gedraaid, vernietigd om plaats te maken voor die nieuwe intergalactische snelweg.

Stel nou dat die Maya’s gelijk hebben met hun voorspelling dat onze wereld, zoals wij hem nu kennen, eindigt op 21-12-2012, 9 dagen na vandaag. En stel nou dat dat gebeurt op het ironische moment dat er nog slechts enkele minuten nodig zijn voor het vinden van de vraag waarop 42 het antwoord is. Dat is zo ontzettend ver gezocht dat de kans dat dit waar kan zijn uiterst miniem is (1 op 1 miljard), dus mijn advies luidt:

Pietenplaag

Een ware Pietenplaag teistert ons land. Ze zwermen over de daken. Zaaien onrust, jagen kinderhartjes op hol. Ze dringen huiskamers binnen via rookkanalen of desnoods de afzuigkap in de keuken. Vraag me niet hoe ze het doen.

En steeds vaker wachten ze niet eens meer tot iedereen slaapt. Recht onder mijn ogen haalde zo’n stuk Pietengespuis een gemene streek uit met de schoentjes die onze brave kindertjes hadden gezet. Ze hadden vanavond uit volle borst en nog vollere overtuiging wel 5 sinterklaasliedjes gezongen, de engeltjes. En dan komt zo’n duivelse Piet met z’n plagerige streken.

Mijn vrouw en ik konden slechts verstijfd van verbazing en angst toezien hoe Piet eerst argeloos de verlanglijstjes in de zak smeet, vervolgens de schoenen leeg terug zette bij de andere schoenen onder de kapstok en toen vier van hun andere schoenen vulde én verstopte. En als finishing touch, zette hij een schoen van mijzelf en van mijn vrouw op de plek waar de kindertjes hun schoentje hadden gezet en stopte er een lullig klein chocolaatje in. Stoute Piet!