taal

Metaforen

Metaforen, ik ben er dol op. Sir Terry Pratchett (moge hij in vrede rusten) schreef in het boek “Nation” dat metaforen leugens zijn om de waarheid beter te kunnen begrijpen. Metaforen zijn natuurlijk geen leugens, maar juist alom bekende en vertrouwde waarheden. De leugen van een metafoor zit ‘m vooral in de beschouwing. We beschouwen een ingewikkeld probleem eventjes als een bekend en vertrouwd probleem waar we wél raad mee weten. We liegen onszelf dan gemakshalve even voor dat de wereld niet complex is. Dat is heel menselijk.

Ik praat zelf veel in metaforen. Ik gebruik ze om iets dat ogenschijnlijk ingewikkeld is, terug te brengen tot iets dat iedereen, inclusief of misschien zelfs wel vooral ik zelf,  kan bevatten. De metaforen komen vanzelf tot me als ik er eentje nodig heb. Zo is er bijvoorbeeld de keukenverbouwing. Als ik met collega’s over een ICT-project praat, komt die metafoor vaak van pas: Als jij je keuken laat verbouwen, dan wil je toch ook dat het op tijd en binnen budget wordt opgeleverd?

Ook altijd een dankbare metafoor is de auto. Met auto’s kun je heel veel verduidelijken. Iedereen weet wat een auto is. Een auto is handig om techniek te scheiden van functie. Onder de motorkap zit bijvoorbeeld van alles dat je niet hoeft te begrijpen (techniek) om een auto te kunnen besturen (functie). Dat is erg handig als je nodeloze details uit een discussie wilt houden: De precieze werking doet er nu nog niet toe, daar kijken we wel naar als we de motorkap open doen.

Metaforen zijn altijd doodlogisch.  Bij het bouwen van een huis begin je toch ook niet met het dak? Dat snapt iedereen. Je punt wordt onmiddellijk begrepen. Bekende gezegden zijn ook vaak een uitstekende bron voor dergelijke logica: Voor we het eerste schaap erover heen lokken moeten we eerst weten of de dam stevig genoeg is.

De badkuip-metafoor is ook al zo’n mooie. Hij wordt in mijn omgeving dikwijls gebruikt. De kraan representeert een stroom van inkomend werk (issues, klachten, foutmeldingen, et cetera). Als er onvoldoende capaciteit – gerepresenteerd door emmertjes waarmee we badwater uit het bad scheppen – is om al het werk te doen, dan loopt het bad vol. Uiteindelijk dreigt er een overstroming. Een oplossing die ik dan veelal hoor is: nu eerst de kraan dicht en pas weer open als het overstromingsgevaar is geweken. Tijdelijk worden dan meer en/of grotere emmers ingezet.

En dan de zwangere-vrouwen-metafoor, ik hoor hem dikwijls: twee zwangere vrouwen kunnen toch écht niet een baby in de helft van de tijd baren. Dat is overduidelijk een valse verwachting, dat snapt iedereen. De Chinese-muur-metafoor houdt hier verband mee: Het verdubbelen van het aantal mensen dat je op een klus zet, betekent niet dat de doorlooptijd per definitie halveert. In dit geval zorgt de metafoor dan voor een waarheid die de onderliggende  valse verwachting (een leugen) bloot legt.

Banaandenken

Hier moet je even heel goed banaan denken.
Hihi! Moet ik er banaan denken, zei je?
O, vind je het grappig dat ik zeg dat je ergens banaan denken moet?
Ha ha ha, nu zeg je het weer!
Wat?
Dat ik er banaan denken moet!
Juist ja! En deed je dat nou ook maar eens!
Okee, dan denk ik hier nu even heel serieus “banaan”, grinnik, grinnik.
Ach welnee, jij denkt helemaal nergens banaan!
O nee? Nou vanmiddag dacht ik anders nog duidelijk banaan hoor.
Okee, vertel dan eens waar jij banaan dacht?
In de supermarkt, bij de fruitafdeling! Eerlijk waar! Waahahahahahaaa!

Nou & En

Nou, daar zitten we dan.

Nou…

Ja nou hè?

Enneeeh… Ik bedoel….wat moet ik nou? Ik zit er anders nooit naast.

Nou, en dan zit je er naast. Nou én! Je bent toch ook maar een mens? Ja toch?

Nou eigenlijk…

En nou niet zeggen dat je er níet naast zat hè. Jij zat er finaal naast!

Nou zeg, ik dacht…

Nou, en wat dacht jij dan? Daar ben ik nu wel benieuwd naar.

Zeg, laat je me nou nog uitspreken? Nou?

Nou zeg! Wat ben jij ineens gepikeerd?

Nou? En wat dan nog?

Ach nou èn, laat maar zitten, ik bedoelde het niet zo. Zeg het nou maar dan.

O, nou mag ik ook wat van je zeggen. Nou, zal ik je es wat zeggen? Nou?….NOU?

…nou, toe dan

Toe dan?  … TOE DAN?  … En wie ben jij om te bepalen wanneer ik wat mag zeggen? Nou? En?

Nou zeg…

Opwindende vrouw

’s Ochtends als ik beneden kom zit ons vijfjarige ventje in opperste concentratie te tekenen in zo’n doe-boekje. “Zo, jij bent hard aan het werk”, zeg ik. “Ja, papa, ik maak een opwindende vrouw”, zegt hij dan heel ernstig. Ik laat van schrik bijna een boterhambordje vallen, en vraag verbaasd: “Wat zeg je nou? Een opwindende vrouw?”.

“Ja, papa, kijk maar”, zegt mijn ventje nog steeds bloedserieus. En ik kijk nu eens goed naar wat hij aan het doen is. Hij is aan het werk in een lijnpuzzelboekje dat hij van oma had gekregen. Daarin moet je de genummerde stipjes met elkaar verbinden. En omdat hij daar erg goed in is, heeft hij van oma een boekje vol met lijnpuzzeltjes gekregen die wat uitdagender zijn.

En bovenaan de pagina waarop hij aan het werk is staat ’t duidelijk te lezen. Hij heeft helemaal gelijk. Inderdaad veel uitdagender dan bijvoorbeeld een tractor of een vlinder. Natuurlijk laat ik hem lekker door puzzelen. Niks mis met opwindende vrouwen, toch? En hij weet toch niet wat het betekent.

Maar zijn grotere broer van 8 brengt daar weldra verandering in als hij erbij komt staan: “Zo, dat is knap”, zegt hij tegen zijn broertje, “weet je wel wat je aan het tekenen bent?”. Ik besluit zelf op de achtergrond te blijven om te horen waar dit heen gaat. “Ja, dat is een opwindende vrouw, dat zie je toch!”, zegt kleine vent verontwaardigd.

“Ja, maar weet je ook wat opwinden betekent?”, vraagt grote broer. “Nee, dat weet ik niet, maar ik kan het wel goed maken hè”, antwoordt kleine broer heel trots. Grote broer legt het toch maar eens haarfijn uit: “Nou, als je iets opwindt, dan gaat het vanzelf bewegen, dus dan gaat een opwindende vrouw waarschijnlijk een dansje doen of zo als je haar opwindt”. En papa laat het voorlopig maar even bij die verklaring.

Tegenzitter

Schepen liggen tegen. Dat klopt ook, want schepen liggen in het water. Bezien vanuit een stuurhut, ligt een tegenliggend schip met de boeg in jouw richting. Het woord tegenligger komt uit de scheepvaart en is in onze taal blijven steken. Dat is allemaal leuk en aardig, maar het is niet logisch.

Wij noemen fietsers die in tegengestelde richting fietsen ook “tegenliggers”. Fietsen liggen niet als ze bereden worden. De fietser zelf soms wel, als het een ligfiets betreft. Daar zit dan ook de verwarring. Bij auto’s doen we precies hetzelfde. Het is een warboel.

En als we “tegenligger” zeggen, hebben we het toch eigenlijk over het gedrag van de bestuurder van het voertuig? Een voertuig zelf zit of ligt niet. Ja, wegligging is dan wel een belangrijke eigenschap is van een auto. Maar fietsen hebben geen wegligging. Dat is allemaal verwarrend. Ik wil zo graag duidelijkheid. Een fietser zit op het zadel van de fiets. Ook op een ligfiets is er eigenlijk ook sprake van een zithouding, ook al is het een lage. En ook automobilisten, buschauffeurs en truckchauffeurs zitten achter het stuur.

Dus ik wilde voorstellen om als tegenhanger van de maritieme tegenligger in het verkeer voortaan de term tegenzitter te bezigen. Iedereen voor?

Simon Stevin

Simon Stevin was een Vlaamse natuurkundige, wiskundige en ingenieur. Hij bedacht het decimale breukenstelsel maar ook hoe je vestingen met behulp van toegepaste wiskunde sterker kon maken (De Stercktenbouwing, 1594).

Aan deze man zou het Klokhuis nou eens een aflevering aan moeten wijden. Daar kijkt mijn hele gezin namelijk gretig naar. Dankzij TV-gemist kun je in het weekend een Klokhuismarathon houden, dus wij missen maar weinig afleveringen. Bij mijn weten is Simon Stevin (1548 – 1620) nog niet aan bod geweest.

Het zou heel goed passen in de serie over de Nederlandse geschiedenis, want hij was een belangrijke grondlegger van het wetenschappelijke en technische Nederlands. Dankzij Stevin hebben we Nederlandse woorden voor Grieks-Latijnse termen, zoals bijvoorbeeld wiskunde (mathematica), scheikunde (chemie), loodrecht (perpendiculair), middellijn (diameter), rede (ration) en het prachtige “wijsbegeerte” (filosofie).

Stevin was een taalpurist en geloofde zelfs dat Adam en Eva Nederlands moeten hebben gesproken, omdat het een oertaal is met de meeste korte woorden die makkelijk samenstellingen vormen.

In Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael, een onderdeel van de Weeghconst, benadrukte hij het belang van de taal waarin wetenschap wordt beoefend. Hij beweerde namelijk dat het Nederlands met zijn eenlettergrepige woorden beter geschikt is voor kennisoverdracht”. 

(bron: wikipedia)

Zou hij talen daadwerkelijk met elkaar hebben vergeleken op aantallen korte woorden? Klinkt absurd en onlogisch, maar Stevin geloofde dit. Stevin was verder een uiterst rationeel mens. Hij geloofde dat alles een logische verklaring heeft: Wonder en is gheen wonder. Vanuit dit motto heeft hij briljante bijdragen aan de wetenschap geleverd. De leukste vind ik zijn Clootcransbewijs (uit De Beghinselen der Weeghconst), waarin hij vanuit het ongerijmde (=absurditeit) de volgende stelling bewijst: 

Twee voorwerpen op een hellend vlak houden elkaar in evenwicht als hun gewichten zich verhouden als de lengte van de vlakken.

Het bewijs gaat als volgt:

  • Stel er is een driehoek met twee niet-gelijke hellingen.
  • We hangen om deze driehoek een kralensnoer (clootcrans) met gelijke kralen op gelijke afstanden.
  • Stel dat het koord gewichtsloos is en alles wrijvingsloos kan bewegen.
  • Het aantal kralen op de linker helling is kleiner dan die op de rechter helling.
  • Als de krachten zich NIET verhouden als de lengte van de helling dan is de kralenketting niet in evenwicht.
  • Het kralensnoer zal gaan bewegen… ófwel linksom, ófwel rechtsom.
  • “De cloten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken, ’t welck valsch is”.

Stevin gaat er van uit dat iedereen inziet dat zo’n perpetuum mobile niet kán bestaan, en de enig overblijvende mogelijkheid is dus dat de stelling juist is: dat de effectieve kracht van de kralen op de hellingen zich moeten verhouden als de lengte van de (tegenoverliggende) hellingen.

(bron: wikipedia)

“De cloten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken, ’t welck valsch is”, dat is toch smullen. Simon Stevin is mijn nieuwe Held. Hij heeft heel veel betekend voor de wetenschap en onze geschiedenis. Dus, Klokhuisredactie, op naar Brugge. Zijn standbeeld in Brugge (zijn geboorteplaats) is volkomen terecht. Als ik eens in de buurt ben, zal ik een clootcransje aan zijn bronzen voeten leggen.

HET deksel! OK?

Er zal wel weer geen houden aan zijn, maar ik probeer het toch maar. Iedereen (behalve ik, zo lijkt het vanuit mijn perspectief) zegt “DE deksel”. Dat is dus hartstikke fout, want deksel is net zo onzijdig als vulsel, stolsel, versiersel, plaksel, strooisel, voedsel, smeersel en frutsel.

Door de bocht genomen is alles wat eindigt op “sel” onzijdig. Het is eigenlijk wel een grappige taalconstructie. We plakken “sel” achter een vervoeging van een werkwoord om er een zelfstandig naamwoord van te maken. Het gaat vaak om het duiden van het middel om te gebruiken bij de handeling. Om dingen aan elkaar te plakken heb je een middeltje nodig dat plakt: plaksel dus. Een smeersel is een middel om te smeren. Voedsel is een middel dat voedt. Speeksel is een middel dat speekt (wist je vast niet). En een (af)deksel is dus een middel om iets mee af te dekken.

Resultaten van de handelingen eindigen ook dikwijls op “sel”. Het frutsel is het resultaat van gefrut. Het spinsel is het resultaat van gespin. Van zagen komt zaagsel en van mislukking bij het bakken krijg je misbaksels. Versiersel is zelfs zowel middel als resultaat.

En is echt alles wat op “sel” eindigt onzijdig? Nee, oksel is een uitzondering, maar ik heb ook nog nooit gehoord van het werkwoord “okken”. Het zou wat zijn zeg: ik ok, jij okt, wij okken. Alhoewel, ik zie eigenlijk wel een handige betekenis. Ik ok dikwijls ter snelle bevestiging van een snelle vraag via SMS of whatsapp. Dan is HET oksel dus het resultaat van okken: een bevestiging dus.

Maar is het dan nu voor eens en voor altijd duidelijk? Het is HET deksel! Graag even je oksel ter bevestiging.

Taelinconsistentii

Gek hoe je soms ineens kan denken van: goh, wat gek eigenlijk dat iets is zoals het is. Ik heb dat vaak als ik bijna in slaap val. Meestal hou ik de verwondering niet vast, zodat ik het de volgende ochtend ben vergeten, maar die van gisteravond is blijven hangen. Wat ik dacht was dit: “goh, wat gek eigenlijk dat we in het Nederlands zo anders omgaan met de i”.

Ik werd op deze gedachte gebracht omdat mijn zoon mij ’s middags in de aanwezigheid van een kamer vol visite een papiertje liet zien waarop hij het symbool Pi had getekend met daar direct achter geplakt de letters M, E en L. Mijn zoon is een nerd van bijna 12, moet u weten. Er stond dus eigenlijk “piemel” op het papiertje. Wijsneuzige Onderbroekenlol. Hij had het met grote letters geschreven zodat alle aanwezigen het duidelijk konden lezen. Erg komisch dus. Het ergste is dat ik hem een aantal dagen terug zelf op het idee had gebracht ook nog.

Die avond, terwijl ik langzaam in slaap viel, kon ik er nog steeds om glimlachen. En toen rezen dus deze vragen: Waarom spreken we de klinkers in de woordjes zoals “nu”, “sta”, “po” en ” uit als een lange klank, maar hebben de ‘i’ en de ‘e’ daar een (extra) ‘e’ voor nodig? En waarom laten we alle andere klinkers langer klinken door ze gewoon te verdubbelen, maar niet met de ‘i’?

Wat als in het Nederlands alle klinkers gelijk behandeld werden… dat kan eigenlijk op twee manieren:

1. Zii je dii fiitser daar, met dii riiten mand aan het stuur?

2. Zie je die fietser daer, met die rieten mand aen het stuer?

Maniir 1 vind ik persoonlijk het mooist. Bovendiin komen we bij maniir 2 in de knoep met de o. En door elkaar vind ik het ook niit goed, want ik hou namelijk niit van taelinconsistentiis.

Poppetje

“Tot straks poppetje”, zei ik tegen mijn kleine ballerina die ik even stevig knuffelde voordat ze de balletles in ging. Zo noem ik mijn dochter soms: poppetje. Een koosnaampje waar ik ineens over moest nadenken toen ze de zaal in liep naar haar balletjuf. Als ballerina is ze helemaal een poppetje, met haar mooie blonde haar in een knotje. Ze is veruit de allerprachtigste ballerina van het klasje.

“Waarom ‘poppetje’ en niet ‘popje'”, dacht ik. Een popje is ook een kleine pop toch? Maar ik vond mijn dochtertje op dat moment niet zomaar een kleine pop, maar een heel lieve kleine pop, dus moest het veel liever en zoeter. De ‘pet’ tussen ‘pop’ en ‘je’, voegt die extra zoetheid blijkbaar voor me toe.

Het werkt bij kip trouwens ook. Een kipje uit de oven is niet lekker. Daar druipt het kippenvet niet vanaf. Van een kippetje uit de oven wel. Een kipje is maar gewoon een smakeloze kleine kip. Wij eten geen kipjes, maar kippetjes.

Kinderen tekenen ook nooit popjes, maar poppetjes. Een popje is eigenlijk ook een larfje, wat mijn dochter volgens Midas Dekkers natuurlijk ook is, maar een larve heeft niks kozigs. Niet voor mij althans, ik zou mijn kinderen nooit liefkozend “larfje” noemen.

Het is een bijzonder woord, dat “poppetje”. Ze zitten bijvoorbeeld in je ogen, en als ze niet op de juiste plaats staan, wordt er meestal niet goed gevoetbald. En je kunt de poppetjes laten dansen. Hop Marjanneke, stroop in ’t kanneke. En als ik lief en geduldig ben naar mijn poppetje, dan krijg ik al haar zachtheid en geeft ze mij haar liefste lach, maar als ik haar tegen haar blonde haren in strijk… dan hebben we de poppen aan het dansen. Geen poppetjes, want die zijn altijd onschuldig.