raadsel

Toegangspoespas

Mijn agenda bevindt zich in een vesting. Om toegang te krijgen moet iemand eerst de zware ophaalbrug neerlaten. Vanachter de kantelen ziet de poortwachter me staan. Ik voer het benodigde ritueel uit om te bewijzen dat ik ben wie ik roep dat ik ben. Op mijn woord kan ik niet worden vertrouwd. Ik moet bewijzen dat ik echt degene ben voor wie ik me uitgeef. Dus ik voer mijn unieke dansje uit dat ik hier speciaal voor heb ingestudeerd. En jawel, de kettingen van de ophaalbrug beginnen te ratelen en de brug komt naar beneden. Even later sta ik in de binnenpoort alwaar mijn gezicht minutieus wordt vergeleken met een portret dat de poortwachter uit een kluis heeft gehaald. Over de gelijkenis is vandaag gelukkig geen twijfel en ik mag door naar de volgende hindernis.

“Als ik jong ben, ben ik lang. Als ik oud ben, ben ik kort. Wat ben ik?”, vraagt de poortwachter. Het is het nieuwe raadsel van dit kalenderjaar, besef ik. Over het nieuwe raadsel wordt iedereen met toegang tot deze vesting tijdig geïnformeerd. Via de beveiligde post natuurlijk, die alleen binnen de vestingmuren geopend kan worden. Gelukkig wordt een nieuw wachtraadsel weken van te voren aangekondigd door de heraut, zodat we niet vergeten om die belangrijke post te openen. Ik heb die post plichtsgetrouw en op tijd ingezien en weet het antwoord op het raadsel.

Ik spreek het antwoord op het raadsel duidelijk uit. De poortwachter knikt plechtig en kijkt op de klok. Hij schrijft de datum en de tijd op een nieuwe regel van het intekenregister. Dan overhandigt hij me de ganzenveer en verzoekt me om mijn naam in het daarvoor bestemde vakje te schrijven. Om mijn intekening te voltooien moet ik ook nog eens mijn vinger op een inktkussentje duwen en mijn vingerafdruk naast mijn dagtekening zetten. Maar dan mag ik eindelijk naar binnen.

Ik loop het agendahuis binnen, dat zich tegenover de toegangspoort bevindt en vraag de agendabewaarder om mijn agenda voor me te pakken. De agendabewaarder bewaakt en beheert alle agenda’s. Dat is een belangrijke en onmisbare taak. De regel is dat alle agenda’s openbaar zijn voor alle personen die toegang hebben tot de vesting. De agendabewaarder zorgt ervoor dat gezamenlijke afspraken in de agenda’s van alle genodigden komen. Mijn agenda wordt snel uit een diepe lade van een grote archiefkast gehaald en aan mij overhandigd.

Ik raadpleeg snel mijn agenda om te zien hoe laat ik morgen mijn eerste werkafspraak heb en prent dit in mijn geheugen. Daarna overhandig ik mijn agenda weer aan de agendabewaarder die deze vervolgens weer veilig opbergt. Ik wens haar nog een fijne zondag en verlaat het agendahuis. Even later klop ik weer aan bij de poort om naar buiten gelaten te worden. De poortwachter schrijft het tijdstip van mijn vertrek in het register en laat meteen de brug voor me neer. Terwijl ik weer naar huis wandel verbaas ik me ten zoveelste male hoofdschuddend over al die poespas. Het is blijkbaar nodig. Hoe laat was nou morgen ook al weer die eerste afspraak?…

Boterham

Het is een sneetje van een brood. Een sneetje worst noemen we dan weer een plak. Tenminste, als het niet te dik gesneden is, want dan wordt het een homp of een stuk. Een plakje wortel is dan weer een schijfje.

En alleen bepaalde sneetjes brood mag je boterham noemen. Ik heb geen scherp afgekaderde definitie, maar stokbroden kun je bijvoorbeeld geen boterhammen van snijden. Dus niet al het brood is boterhamwaardig.

Ik begin te vermoeden dat de vorm van de broodplak bepaalt of het een boterham mag heten of niet. Een soort paddestoel met een dikke steel. Die vorm denk ik aan bij een boterham. Maar ik noem een plak vloerbrood ook een boterham. Die plakken hebben de vorm van de hoofdletter D. Misschien is het toch niet de vorm.

En dan nog het woord zelf. Ja, op een sneetje brood is boter vrij standaard, maar ham niet. Of was vroeger toen de boterham werd uitgevonden ham het enige beleg dat bestond? Hier kom ik niet uit.

Wikipedia raadplegen leert me dat de herkomst van het woord onduidelijk is. Vroeger werd een sneetje brood ook wel een “rammel” genoemd. Een mogelijk oorsprong daar weer voor ligt in België, want daar noemen ze een geroosterde boterham een rammeke. Zie je wel, het ligt dus niet aan ons Nederlanders dat wij over boterhammen spreken. Die rare Belgen toch 🙂