kinderen

Vloeknood

Je ziet ze regelmatig, die grote posters van de Bond Tegen Vloeken met teksten zoals “Een Vloek Stoort” of “Vloeken? Natuurlijk Niet!”. Ik stoor mij op mijn beurt dan weer aan die posters. Begrijp me niet verkeerd, ik loop heus niet de hele dag te vloeken, maar ik ben ook maar een mens. Als ik heel hard mijn teen stoot, helemaal als die teen al zeer deed omdat er eerst een hamer op is gevallen, dan móet er heel nodig een vloek uit. “Potjandorie”, doet het dan niet echt voor me. Dat is gewoon niet rauw genoeg. Hartgrondig en luid een opperwezen dringend verzoeken mij in zijn naam te verdoemen, lucht nou eenmaal ontzettend op.

Vloeken is eigenlijk vergelijkbaar met niezen. Als je lijf niest, wordt met ongelooflijke kracht je neus verlost van prikkelende stoffen. Dat is bijna niet in te houden. Veel mensen doen dat uit sociale overweging vaak wel, waardoor je neus blijft kriebelen en de niesnood nog niet over is. Als je vloekt worden met ongelooflijke kracht je hersenen verlost van pijnprikkels. Hou je een vloek in, dan blijven de prikkels in je hoofd en is de vloeknood nog niet over.

Gek genoeg hou ik me bij mijn kinderen dan wel weer in als ik moet vloeken. Ik loop dan bijvoorbeeld op mijn sokken door het huis en stap dan in een punaise. Er ontstaat dan acuut een heel hoge vloeknood. De tranen schieten in mijn ogen en mijn longen zuigen zich vol om de dreigende vloek goed kracht te kunnen geven: “GGGGOH…..”. Mijn kindertjes kijken verschrikt maar tegelijkertijd gefascineerd naar me. In hun oogjes meen ik te lezen dat ze nu extra goed gaan opletten zodat ze mijn vloek goed kunnen nadoen, dus ik buig de vloek om naar: “…WWWWAT….EENNN….STOMMMMMM….GGGGEDOEOEOEOEO!”. En láchen dat de potjes met de grote oren dan doen! Ik hink naar de bank, trek de punaise uit mijn hak en vloek binnensmonds nog een beetje na: “gmmfdmmm!”.

Powered by ScribeFire.

Lunchen met oersoep

Mijn oudste zoon leest nu op school (groep 5) over de oude Grieken. Mijn papadag is wat dit soort informatie betreft echt geweldig. Op die dag eten de kids tussen de middag hun bammetje lekker bij papa en overspoelen ze mij met alles wat hen bezig houdt. Deze keer zijn het dus de oude Grieken. Het begon met deze vraag: “Papa?”. Aan de manier waarop hij alleen dat al vroeg hoorde ik al dat er iets moois ging komen. Aan “Papa?” ging namelijk eerst een voorpretgiecheltje vooraf.

“Ja?”, antwoord ik. “Nou..um..weetje?”, gaat hij verder. “Neetje”, zeg ik automatisch. “Ja wat was er eerst, de kip of het ei?”, floept er nu uit. En daar komt de rest van de giechels. Het blijkt dus napret te zijn van iets waar hij in de klas die ochtend mee bezig was. De oude Grieken dachten erg veel na over moeilijke vragen. “Tja, wat denk je zelf?”, vraag ik terug. “Ja, het ei natuurlijk”, zegt hij vol overtuiging, “want die heeft God gewoon gemaakt”.

Nou leef ik zelf een volkomen goddeloos bestaan. Zo ben ik opgevoed. Ik heb van huis uit helemaal niets meegekregen over het geloof en ben qua Bijbel- en Korankennis volkomen blanco. Geloof was voor mij lange tijd iets met even je ogen dicht doen en je handen vouwen voor het eten of zo. Onwetendheid maakt bekrompen. De kinderen kregen op hun vorige school en van hun moeder wel het nodige mee en bekijken de wereld daarom een beetje anders als ik. Dat is ook goed. Hun algemene opvoeding is daardoor hopelijk breder dan die van mij.

“Dat zou kunnen, en ik denk dat je gelijk hebt”, zeg ik dan, “maar ik geloof niet in God maar in de Oerknal en de Oersoep”. Die woorden leveren een hoop gegiechel en gegrinnik op. Hoewel ik ook geen oersoep-expert ben doe ik toch mijn best. Ik leg uit dat het eerste leven bestond uit hele kleine beestjes die je alleen onder een microscoop kon zien. Ze zwommen in de “oersoep” (water) en bestonden uit één celletje. Die beestjes maakten kindjes zonder dat daar eieren of mama’s met dikke buiken voor nodig waren. Ze braken gewoon doormidden en elke helft groeide weer dicht.

Ik maak grote sprongen, want ik ben bepaald geen expert. Ik redeneer dus verder dat er steeds meer van die beestjes kwamen en dat die allemaal voedsel nodig hadden om die kindjes te kunnen maken. Ze gingen dus op gegeven moment elkaar opeten. Daardoor moesten ze dus zorgen dat ze konden jagen en zorgen dat ze zelf niet werden opgegeten. Aan dat ene celletje had je dus niet meer genoeg. Je moest cellen maken voor onder andere een maag, tanden en vinnetjes om weg te zwemmen voor grote enge beestjes en om zelf achter andere lekkere beestjes aan te zwemmen.

Die zee raakte dus vol met allerlei soorten zwemmende beestjes die er alles aan deden om te overleven. Met een buik vol kindertjes ben je makkelijker te vangen, dus moest je die kindjes misschien maar beter buiten je lijf groeien. Zo ontstonden de eerste eitjes. Het werd erg gevaarlijk in de zee, dus kropen ze aan land en gingen ze pootjescelletjes maken en nog veel meer celletjes want ze waren ontzettend groot. Reusachtige, verschrikkelijk enge dino’s. Ze hadden hele grote achterpoten, hele kleine voorpootjes en een hele grote bek vol scherpe tanden. Dino’s legden ook eieren om hun kindjes in te groeien. De kip zoals wij haar nu kennen bestond toen nog lang niet, maar de monsterlijke oermoeder van die kip wel. Dus, ja, het ei was er eerst, geloof ik.

De kinderen hebben het met grote ogen aangehoord. Mijn oudste denkt dan even na en zegt dan dat het toch best wel heel erg knap is als je dat van die celletjes en die oersoep allemaal kunt bedenken. Dat vind ik op dat moment zelf ook best knap. Maar langzaam bekruipt me het gevoel dat hij met “je” niet zijn vader bedoelt.

Powered by ScribeFire.

Kinderen vouwen

Mijn jongens zijn ineens fanatieke vliegtuigvouwers. Voor elk vouwde ik een heel stoer stuntvliegtuigje dat ik al sinds mijn jeugd vouw. Een grote neef die zelden op bezoek kwam vouwde er ooit eens eentje voor me. Hij liet waar al mijn vriendjes bij waren zien hoe ik hem moest gooien. Door zijn speciale vorm maakt het prachtige loopings. Ik was de koning te rijk. Het was het stoerste vliegtuigje van de straat, en hij was van mij.

Toen ik vroeg of ik ook kon leren om zo’n vliegtuig te vouwen, antwoordde mijn neef dat ik het mezelf kon leren door goed te kijken hoe het vliegtuigje in elkaar zit. Ik smeekte of hij alsjeblieft een reserve-vliegtuigje voor me wilde vouwen. Maar dat deed hij niet. Ik kon het best, zei hij. Ik stond voor een groot dilemma. Stel nou dat ik het níet kon. Ik moest het stoerste vliegtuigje van de buurt opofferen om er achter te komen of ik er zelf eentje kon maken.

Aanvankelijk stelde ik het een tijdje uit. Het vliegtuigje zette ik op een speciaal daarvoor vrij gemaakt plekje in mijn speelgoedkast. Het was zowat mijn kostbaarste bezit. Ik speelde er alleen heel voorzichtig mee, want ik was veel te bang dat hij zou scheuren. Maar zo had ik er eigenlijk helemaal geen lol van. Dus op een dag besloot ik om te proberen er zelf ook eentje te vouwen.

Met chirurgische precisie ontleedde ik het tuigje dat mijn neef voor me had gevouwen. Het bleek te bestaan uit twee in elkaar geschoven delen: de vleugel en de staart. Ik vouwde ze helemaal open tot ik een vierkant stuk en een smal rechthoekig stuk had. De lange kant van het rechthoekige stuk paste precies tegen het vierkante stuk. Het was gemaakt van een enkel vel briefpapier. Ik had het bouwschema ontrafeld, en het zag er eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld uit.

Mijn eerste zelfgevouwen exemplaar deed het wel, maar maakte grillige vluchten. Het vliegtuigje dat mijn neef had gevouwen vloog loepzuivere lussen. Mijn eigen tuigje zag er ook veel minder strak uit. Ik moest vast veel netter vouwen. Over mijn tweede vliegtuigje deed ik haast wel een half uur. Met het puntje van mijn tong uit mijn mondhoek – nog steeds een teken van opperste concentratie in mijn geval – legde ik elke papierpunt precies goed en maakte ik de vouwen superstrak. Het resultaat was verbluffend. Ik zag meteen dat deze perfect zou vliegen. En hoe!

Mijn eigen jongens waren ook de koning te rijk met het vliegtuigje dat ik voor ze had gevouwen. Ik vouwde het waar ze bij zaten en zei dat ze goed moesten kijken hoe ik het deed. Nu ben ik natuurlijk hun vader en niet, zoals mijn neef, zelden hier om nieuwe vliegtuigjes te vouwen, dus mijn jongens pakten het veel minder dramatisch aan als ik. Ladingen A4-tjes werden er verbruikt in de hoop dat het volgende baksel wel perfect zou vliegen. Intussen ligt hier nu een hele vloot papieren stuntvliegertjes die het allemaal nog lang niet zo goed doen als die van mij. Ieder vliegtuigje wordt vol trots ter keuring aan mij getoond. Ik wijs ze dan op de slordigheidjes zeg steeds dat ‘ie echt wel goed zal vliegen als ze heel precies vouwen. Natuurlijk vind ik ze stuk voor stuk de schitterendste vliegtuigjes die ik maar kan bedenken.

Opvoeding lijkt soms eigenlijk net vliegtuigjes vouwen. Slordig gevouwen kinderen vliegen elkaar en hun ouders vaker in de haren. Een slordige vouw ontstaat als je tegen de vezels van je kind in wrijft, of als je spontane vouwen niet goed begeleidt. En soms moet een koppige ouwe vader zich ook wel eens door zijn kinderen laten bijvouwen naar een betere vorm. Heel moeilijk hoor dat laatste, heel erg moeilijk.