Fratsen

Rare fratsen

Nep-Limburgs

Het Sinterklaas-journaal haalde vandaag het nieuws doordat er in een scene die zich in Roermond afspeelde “nep-limburgs” werd gesproken. Dat kon natuurlijk niet. De arme Limburgers zouden zich “te kakken” gezet voelen. Och gut. Laat me alsjeblieft niet lachen zeg. Dit gaat toch helemaal nergens over? Dialecten nabootsen is ontzettend alledaags. Ik heb Amsterdammers nog nooit horen klagen over nep-Amsterdams. Ik heb Hagenezen nog nooit horen zeuren over nep-Haags, Ik heb Groningers (en plattelanders uit het Noord’n) nog nooit horen mopperen over nep-Grunnings en andere nep-platte-taal. Cabaretiers doen het veelvuldig en vaak direct bedoeld als een te-kakken-zetting en dan lachen we ons allemaal dood. Maar wordt er in een onschuldig kinderprogramma (wat het Sinterklaasjournaal is) een heel onschuldige poging gedaan om een scene een beetje Limburgs te laten klinken, dan worden Limburgers boos. Kom op zeg.

Dialecten zijn prachtig. Niks mis mee. En als je je te kakken gezet voelt omdat een ander jouw dialect nadoet, dan komt dat voort uit je eigen weggestopte gene voor je dialect. Wees gewoon trots op je dialect en lach fier met de naäpers mee. 

De omgekeerde felicitatietaktiek. Briljant!

De jarige besloot dan maar zelf te bellen met me. Mijn vrouw nam eerst op en feliciteerde de jarige meteen. Ik kreeg hem even later aan de telefoon zodat ik hem ook kon feliciteren. Handig toch? Ja, want ik hoefde de jarige niet zélf te bellen. Misschien was ik het ook wel helemaal vergeten. Dat risico is er namelijk altijd. Dus het was heel slim van de jarige om dan maar zelf te bellen. Nee, niet slim, maar briljant.

De briljante jarige was er zelf ook best trots op toen ik het hem had uitgelegd. Hij zag in dat hij dan ook zelf kon kiezen wie hem feliciteerde en wie niet. Zo voorkom je dus ook dat je door iemand gefeliciteerd wordt waar je níet door gefeliciteerd wil worden. Dat betekent dus wel dat je de op je verjaardag de telefoon niet opneemt natuurlijk. Ja, want anders word je misschien toch ongewenst gefeliciteerd. Zie je wel, briljant.

Het mooiste aan deze omgekeerde felicitatietaktiek is dat de feliciterenden zelf geen verjaardagen meer hoeven te onthouden. Dat scheelt ontzettend veel gedoe en genante situaties. En zeg nou zelf, het is toch ook veel handiger dat 1 persoon onthoudt welke mensen hem/haar moeten felicitelefoneren op zijn/haar verjaardag dan dat vele mensen moeten onthouden dat ze 1 persoon niet mogen vergeten te bellen op hun verjaardag? Mensen hebben het al druk genoeg.

Kortom: de omgekeerde felicitatietaktiek is veel socialer dan de normale gang van zaken rond verjaardagen. De jarige wordt niet vergeten, want er valt niets te vergeten, en de feliciterenden hoeven zich nooit zorgen te maken over vergeten verjaardagen en alle genante ongemakkelijkheden die daarmee gepaard gaan. Win-Win. Dus hou je mobieltje aan en in je buurt op mijn verjaardag, het zou zo maar kunnen dat je de eer hebt door mij persoonlijk gebeld te worden om mij te mogen behagen met je welgemeende felicitaties.

Toch leuk

De kunstkenner bespreekt een soort plat, beschilderd kistje met de dame die het heeft meegebracht. Het ding zweeft nog ergens tussen kitsch en kunst. Likkebaardend luistert de dame naar de kenner. Die kenners hebben overigens verdacht vaak namen die bij hen passen. Zoals Jan Vaassen (fictief), de expert op het gebied van Chinese Vazen.

“Wat een leuk kistje”, zegt de kunstkenner tegen de dame, die hoopvol meeknikt, maar bij dat “leuk” ook een lichtelijk nerveuze grimas trekt. “Van mijn betovergrootvader’s betovergrootmoeder geweest”, zegt de dame voor de zekerheid. “Leuk”, zegt de kenner. De dame knippert bij “leuk” met haar ogen. “Echt leuk”, herhaalt de kenner. Knipper-knipper-grimas, doet de dame.

De kenner keert het kistje om, zoekend naar een indicatie van enige waarde. Dat het ding op TV wordt uitgezonden is al een indicatie van opmerkelijkheid. Aan de achterkant is niets te zien dus wordt de voorkant weer naar de camera gedraaid. “Echt een grappig object”, zegt de kenner, “want het is helemaal geen doosje”. Hij schuift het deksel open en er verschijnt een schilderijtje. “Kijk, wat leuk, het is een verstopt kunstwerkje”. Bij deze “leuk” trekt de dame een gezicht alsof ze net een hap uit een citroen nam. 

“Het is natuurlijk geen schilderij, dus zo mogen we het ook niet waarderen”, zegt de kunstkenner. De dame schudt zachtjes met haar hoofd. Haar schouders hangen naar beneden. Alle hoop is verloren. Haar voorwerp blijkt kitsch te zijn. “Maar je ziet ze zo niet vaak”, zegt de kenner. De dame veert op. Haar ogen staan plotseling heel fel. Dat waarvoor ze is gekomen gaat ze nu te horen krijgen. De eurotekentjes worden al in haar begerige ogen zichtbaar. “Ja, echt een leuk ding. Heel leuk”. Bij iedere “leuk” vertrekt weer haar hele gezicht. En dan komen de verlossende woorden: “ik schat dit lollige ding toch in op een waarde van 1500 euro”. De dame kijkt zuur, heel zuur. Het valt duidelijk tegen en ze zegt, zoals de meesten die in het TV-programma voor de camera mogen: “nou, tóch leuk”.

Schaamteloze uitbuiting van kinderen

Reklame is een gegeven. Zonder reklame te maken van je goederen en diensten raak je je waren aan de straatstenen niet kwijt. Dat snap ik. Dat reklames in de meeste gevallen ook nog eens misleidend zijn, daar kan ik me ook nog wel overheen zetten. Natuurlijk schilderen ze hun waren zo ideaal mogelijk af. Natuurlijk verkopen ze in de reklamespotjes een hoop leugens. Natuurlijk worden de addertjes onder het gras niet luid en duidelijk vermeld. Dat weet iedereen. Ik kan daar mee leven.  

Waar ik niet mee kan leven is de uitbuiting van kinderen. Wij krijgen bijvoorbeeld herhaaldelijk reklamemateriaal en proefproducten mee van het kinderdagverblijf. Dan komt mijn zoontje mij bij het afhalen helemaal verguld een mooie placemat (van een zuivelfabrikant) laten zien die hij heeft gekregen. Thuis kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om het ding weg te gooien, dus het ding ligt een tijdlang onze kinderen bloot te stellen aan reklame. Nog een voorbeeld is een gratis zak met ontbijtringetjes. Ik vind dit een heel zorgelijke ontwikkeling. In eerste instantie omdat de bedrijven kinderen uitbuiten om hun waren aan de man te brengen, maar in tweede instantie dat de organisaties die de kinderen juist zouden moeten beschermen hiervoor (de kinderdagverblijven waar je je kinderen aan toevertrouwt), hier ook nog aan mee werken.

En de R is weer in de maand. Sinterklaas en Kerst komen eraan, dus worden kinderen een extra belangrijk doelwit voor reklamemakers. Op de radio hoorde ik een speelgoedwinkel zonder enige schaamte bij kinderen bedelen om hun SInterklaas-verlanglijstjes. En om de kinderen daarvoor te motiveren maken ze kans dat ze alles dat ze op hun lijstje zetten winnen! Het doel is me duidelijk: de speelgoedwinkel wil graag weten wat kinderen zoal leuk vinden zodat ze hun logistieke organisatie zo efficiënt mogelijk kunnen runnen. Slim bedacht. En het gaat ook werken…. tenzij heel jeugdig Nederland lijsten inlevert met tenminste 500 peperdure wensjes, liefst meer. Dit is dus mijn snode plan: ik laat een paar miljoen placemats drukken die ik via de kinderdagverblijven verspreid met de oproep om massaal belachelijk lange verlanglijsten in te leveren bij de ToysXL. Nu zoek ik nog een sponsor…

Het geheim van een lekker bakkie

image

Dit wordt mijn geitewollesokkigste verhaal ooit, maar ik ben nou eenmaal in die stemming. Het kan zo de Libelle in, zo erg. Het komt door het heerlijke, zonnige herfstweer buiten. Ik kreeg spontaan zin in een strandwandeling in een trui met kabelpatroon die ik niet heb, maar toch. En natuurlijk gaat de gezinslabrador – die ik ook niet heb, maar toch – ook mee. En als ik dan thuis kom wil ik natuurlijk een perfect, ouderwets bakkie. Geen moderwetse turbokoffie uit zo’n yuppiemachine (die overigens wel in onze keuken staat, maar toch), maar een eerlijke kop dampende, zelfgezette koffie.

Lekkere koffie hangt voornamelijk af van versheid, reinheid en rust. Zo voel ik dat. De koffie is vers gemalen. Waar de koffie vandaan komt is opzich ook heel bepalend voor de smaak, maar koffie gezet van ranzige, raszuivere Guatamalaanse Antigua (mijn favoriet) is ook niet te zuipen. Versheid voorop dus. Gemalen koffie blijft hooguit drie dagen goed. Ongemalen, gebrande bonen kun je ook maar enkele weken bewaren. Daarom drink ik dus ook zoveel koffie, want het bederft heel snel.

Koffiebonen zijn eigenlijk de pitjes van de vruchten (het lijken net kersen) van de koffieplant. Die pitjes worden door de koffieboer gewassen en gedroogd. Dat proces is al bepalend voor de smaak, maar daar heb je als gewone Hollandse koffieleut weinig invloed op. Die gedroogde pitjes bevatten de olie die dat heerlijke aroma aan de koffie geeft. Ze zijn in gedroogde, ongebrande vorm trouwens maanden lang houdbaar. In de koffiebranderij worden ze geroosterd tot de boontjes barsten. Vanaf dat moment kan de olie er veel sneller uit “lekken”. Er vindt één of andere chemische reactie met de lucht plaats geloof ik, maar hoofdzaak is dat de belangrijkste smaakbepaler na het branden van de bonen sneller vervliegt. Een kwestie van enkele weken en je kunt je gebrande bonen weggooien. Als je die bonen maalt vervliegt de olie nog sneller vanwege het veel grotere contact met de lucht. Vacuüm verpakken kan de houdbaarheid dus aardig verlengen, maar ik drink maar gewoon veel koffie.

Die olie zet zich tijdens het zetten van de koffie af in je koffiezetapparaat. In de pot, in het filter, in al die leidinkjes van de ingewikkeldere apparaten. Die olie wordt ranzig en gaat een vieze smaak aan je koffie geven. Kortom: hou je apparaat goed schoon. Op kalkaanslag blijft nog meer olie zitten, dus regelmatig ontkalken. Denk ook aan eventuele potten waarin je je koffiebonen (of gemalen koffie)bewaart. Maak ze goed schoon voor je er nieuwe koffiebonen in doet. De Duitse bierbrouwers hebben hun Reinheitsgebot voor bier. Voor koffie geldt eigenlijk hetzelfde.

En dan rust. Neem de tijd. Geniet van het riteel van het koffie zetten. Bijkomstig effect is dat je zorgvuldig te werk gaat. Mijn fijnste lekkere bakkie is ouderwetse Hollandse filterkoffie. Ik pas precies genoeg water af (1 kopje per maatschep koffie) en zet de waterkoker aan. Terwijl het water kookt maal ik de bonen. Ik doe de heerlijk geurende, gemalen koffie in het koffiefilter. Dan klikt de waterkoker uit. Ik laat het hete water 1 à 2 minuutjes staan (te heet water maakt de koffie heel smerig, ik weet niet hoe het komt, rond 85 graden celcius schijnt ideaal te zijn) en spoel ondertussen de thermoskan met heet water om. Dan zet ik de filterhouder op de pot en giet heel rustig de waterkoker er in leeg. Met een druppelstraaltje waarbij ik rondjes draai boven het filter. De zalige geuren die in mijn neus drijven, de prachtige kleuren van de schuimlaag op de koffiedrab in het filter en de zonnestralen die door het keukenraam op mijn handen komen, brengen mij in die Libelleske geitenwollensokkenstemming. Ik kan er niks aan doen.

Mooi Weer Partij

Nu wisten we al dat er politieke geluiden opgegaan zijn over de verpakking van de weersvoorspellingen. Die verpakkingen moeten prettiger. Het weerbericht moet positiever. Ik vind dat dus al dikke stierenpoep. Maar toen ik las over die protestmars in Amsterdam tegen het slechte weer, brak mijn klomp. Ze eisen nota bene betere weersomstandigheden. Het moet toch niet gekker worden? Alsof weersomstandigheden beïnvloedbaar en onderhandelbaar zijn. Wat een mafkezen!

Het is dus alleen nog een kwestie van tijd voor zo’n mafkees de Mooi Weer Partij opricht. Ik zie het al helemaal voor me. De partijkleur is geel met een zonnetje als logo. Op het programma staan belachelijke zaken zoals het instellen van een wettelijke maximale neerslagnorm waarbij gemeenten die niet onder die norm blijven een boete krijgen, of een nationaal verbod op het bezit van paraplu’s en andere vormen van weerpessimisme. En zonnestudio’s moeten natuurlijk gratis worden en emigratie naar warme landen moet binnen ieders handbereik komen. Een enorme berg stierenpoep dus. Maar mafkezen te over in dit land, dus die partij maakt nog een goeie kans op zetels ook. Zucht.

Aanstaande zaterdag is de protestmars. Ik kan niet wachten tot de krantenkoppen van maandag, als het eindelijk zomerweer is: “Protestactie tegen slecht weer bijzonder succesvol!”. Laat me alsjeblieft niet lachen.

Middernisme

Ik heb niks met minimalisme. Less is gewoon echt less en meer niet. Dat je dan zo’n enorme villa op TV ziet met zo’n kil, wit interieur met hier een daar een essentialistisch simplistisch meubelstuk waar je oog wel op móet vallen omdat er gewoon niks anders ís om naar te kijken. In zekere zin is less dan weer wel more, maar vooral more money. Dat bedriegelijk simpele meubelstuk kost namelijk een fortuin. Minimalisme is eigenlijk een extreme vorm van protserigheid.

Ik heb ook niks met het andere uiterste. Ik noem dat dan maar even maximalisme. Dat is bijvoorbeeld een tuintje van 10 vierkante meter vol zetten met 80 tuinkabouters. Het is ook je Opel Corsa pimpen met zo’n stofzuiger onder je gril, zo’n taartschep achterop en een 1000 watt subwoofer in je kofferbak. In Baltimore MD heb je iedere Kerst “The Miracle on 34th Street” (ik heb het ooit zelf gezien). Dat is een dusdanig uit de hand gelopen kerstverlichtingsgekte dat heel de VS het massaal komt bekijken. Dat is übermaximalisme, too much, maar goed, daar zijn de Amerikanen dan ook erg goed in. Maximalisme is ook een extreme vorm van protserigheid.

Dan kom ik qua smaak dus automatisch uit op iets dat er tussenin zit. Gewoon een kwestie van proporties eigenlijk. Ik voel me niet gemakkelijk bij extremiteiten. Geen fratsen dus. Gewoon gewoon is al gek genoeg. Al die franje heb ik niet nodig en dat typeert me.

Ooit liet ik me eens overhalen tot de aanschaf van knalrode schoenen met gele veters (die staan je echt heel goed, schat…). Ze zaten heerlijk, maar iedereen keek steeds naar mijn schoenen. Ik droeg ze om Calvinistische beweegredenen: ze waren te duur om in de kast te laten staan. Later zag ik eens iemand met diezelfde schoenen lopen. Hij droeg ook een kanariegele broek, een witte koltrui met daar overheen een vuurrood colbert. Verder was hij zwaar opgemaakt en droeg hij een appelgroene oversized Alpinopet op zijn hoofd. Natuurlijk had zijn Chiwawa een matching outfit. Mijn rode schoenen pasten bij dat extravagante maximalisme, en niet bij mijn afgemeten middernisme.

Milieubarbaren!

Rij ik te genieten van de mooie natuur om me heen, rijdt er voor mij zo’n uitgeleefde roestbak op wielen ten eerste al smerige dampen te walmen, draait de bijrijder het raampje open en komt me daar toch een gore rookwolk uit dat raam! En dan flikkert die ranzige slons tot overmaat van natuurramp ook nog eens de inhoud van zijn asbak leeg in de berm!! Gadverdegadverdegadver! Milieubarbaren!

….

oooooooooooohmmmmmmmmmmmmmmmmmmm

Echte lullen

Een jaar of tien geleden ging ik nog wel eens op pad met een “sales manager”. In mijn vader’s tijd heette dat nog gewoon vertegenwoordiger. Feitelijk leur je in zo’n functie met de producten en diensten van je werkgever. Drukke, belangrijkachtige snelle baasjes die gaan voor dikke, vette zakendeals om hun dikke lease-bakken te rechtvaardigen.

Ik ging dus wel eens met zo’n gladde babbelaar op pad, als een soort show-model. Op een morgen, terwijl we in zijn vette Mercedes onderweg waren, vroeg meneer de belangrijke sales manager me ineens of ik ook eens in een échte auto wilde rijden. Ik mompelde dat ik mijn rijbewijs niet bij me had, maar dat werd stoer weggewuifd. Ik moest en zou achter zijn dikke stuur, want dan kon hij namelijk nog even wat belangrijke telefoontjes plegen.

We stopten om van plaats te ruilen. Ik liep theatraal om zijn auto heen en telde hardop de wielen. “Verrek, je hebt gelijk, het is een échte auto”, zei ik bijdehand. Maar sales managers worden blijkbaar geselecteerd op hun gebrek aan gevoeligheid voor sarcasme. Hij maakte van zijn rechterhand een pistool en richtte het op mij, met zo’n wij-begrijpen-elkaar-knipoog en bijbehorend klakgeluidje met zijn tong.

En toen ik even later flink gas gaf op de snelweg, kwam de rest: “Jaaa, dat is wel even wat anders hè?”. Ik kreeg bijna medelijden. Blijkbaar identificeerde hij zich met zijn auto. Type “mijn auto definieert mij”. Ik ben beter omdat ik een grotere kar heb dan jij. Dat type. Op inhoud worden sales managers dus ook niet geselecteerd. Wel op schone schijn.

Het bijzondere is dat dit soort mannetjes het vaak ver lijken te schoppen met hun gladde smoelen en dito praatjes. Je hebt geen inhoud nodig om succesvol te zijn. Tenminste, als je de dikte van je auto en status als maatstaf ziet voor succes. Uiteraard hebben ze ooit hun moppie opgepikt in de discotheek met “Hai schatje, wil je eens een keer op een échte lul rijden?”.