Month: november 2012

De omgekeerde felicitatietaktiek. Briljant!

De jarige besloot dan maar zelf te bellen met me. Mijn vrouw nam eerst op en feliciteerde de jarige meteen. Ik kreeg hem even later aan de telefoon zodat ik hem ook kon feliciteren. Handig toch? Ja, want ik hoefde de jarige niet zélf te bellen. Misschien was ik het ook wel helemaal vergeten. Dat risico is er namelijk altijd. Dus het was heel slim van de jarige om dan maar zelf te bellen. Nee, niet slim, maar briljant.

De briljante jarige was er zelf ook best trots op toen ik het hem had uitgelegd. Hij zag in dat hij dan ook zelf kon kiezen wie hem feliciteerde en wie niet. Zo voorkom je dus ook dat je door iemand gefeliciteerd wordt waar je níet door gefeliciteerd wil worden. Dat betekent dus wel dat je de op je verjaardag de telefoon niet opneemt natuurlijk. Ja, want anders word je misschien toch ongewenst gefeliciteerd. Zie je wel, briljant.

Het mooiste aan deze omgekeerde felicitatietaktiek is dat de feliciterenden zelf geen verjaardagen meer hoeven te onthouden. Dat scheelt ontzettend veel gedoe en genante situaties. En zeg nou zelf, het is toch ook veel handiger dat 1 persoon onthoudt welke mensen hem/haar moeten felicitelefoneren op zijn/haar verjaardag dan dat vele mensen moeten onthouden dat ze 1 persoon niet mogen vergeten te bellen op hun verjaardag? Mensen hebben het al druk genoeg.

Kortom: de omgekeerde felicitatietaktiek is veel socialer dan de normale gang van zaken rond verjaardagen. De jarige wordt niet vergeten, want er valt niets te vergeten, en de feliciterenden hoeven zich nooit zorgen te maken over vergeten verjaardagen en alle genante ongemakkelijkheden die daarmee gepaard gaan. Win-Win. Dus hou je mobieltje aan en in je buurt op mijn verjaardag, het zou zo maar kunnen dat je de eer hebt door mij persoonlijk gebeld te worden om mij te mogen behagen met je welgemeende felicitaties.

Otto’s verhuizing

Het huisje stond al vele jaren leeg en te koop. Niemand wilde het blijkbaar hebben. Je moet het ook eerst maar weten te vinden, want het ligt erg afgelegen. In een schimmig gebied waarvan we niet helemaal zeker weten of het wel bij Nederland hoort of niet. Maar op een dag was het toch zomaar verkocht. De makelaar wist zich nog vaag te herinneren dat de koper licht naar buskruit rook en dat hij in een roestig, oud Golfje reed.

Het is heel vroeg in de ochtend. Het is doodstil en het huisje is gehuld in nevels. Met een zacht fwoep! verschijnt er plotseling een man in het lege huis. Hij zit in een grote, leren draaistoel. Otto de Magiër laat zijn vertrouwde, oude stoel een rondje draaien en kijkt tevreden rond in zijn nieuwe woning. Hij is er zeer mee in zijn nopjes. En dan knipt hij met zijn vingers en weg is ’t ie weer. De stoel draait nog na.

Otto verschijnt weer in zijn oude huisje, precies op de plek waar zijn favoriete stoel stond. Hij pakt een bescheiden jute zak en kijkt naar een grote houten kist waarin hij het meeste van zijn bezittingen heeft gestopt. Otto zet een aantal passen naar achteren tot hij tegen de muur aan staat met zijn rug. Nu staat hij ver genoeg van de kist. Hij kijkt er met één oog dicht naar, tussen zijn duim en wijsvinger door. Zo lijkt de kist nog maar zo groot als een luciferdoosje. Otto pakt de kist tussen duim en wijsvinger op en stopt het in de jute zak. “Hopla!”, roept Otto vrolijk.

Hetzelfde doet Otto met de rest van zijn huisraad. De koelkast, de televisie, een stuk of wat kasten, twee tafels, alles gaat in de jute zak. Zelfs het oeroude fornuis, zijn zware, gietijzeren bed en uit de schuur, jawel, zijn roestige VW Golf. Als Otto’s oude huis helemaal leeg is, hangt Otto de jute zak achteloos over zijn schouder en loopt de voordeur uit, naar buiten. Otto haalt heel diep adem en schreeuwt dan uit alle macht “KNAAAHAAAARF!!!”. De vogeltjes stoppen van schrik allemaal met zingen.

Uit de struiken komt even later een enorme kat gesjokt. Ruim 28 kilo verwilderde kat. Jaagt op hazen en reeën. Buizerds vrezen hem. Het beest kijkt Otto aan met een blik van “wat mot je nou weer?” en grauwt en gromt vervaarlijk. Otto kijkt terug met één oog gesloten, door duim en wijsvinger, en pakt de monsterachtige kater ruw in zijn nekvel. “Hoppekee”, zegt Otto, en hij stop het wild om zich heen maaiende beest in een klein kooitje dat aan een ketting om zijn nek hangt. Het gegrauw van de geminimaliseerde Knarf klinkt nu als een hele pissige bromvlieg. Otto doet dan “Knnnipp!” en is verdwenen.

…fwwwoep! Otto verschijnt in zijn nieuwe huis. Hij zet de tuindeuren wijd open en haalt de ketting met het kooitje van zijn nek. Knarf gromt en grauwt nog als een dolle. Otto houdt het kooitje tussen duim en wijsvinger en strekt zijn arm zo lang mogelijk, richting het weiland achter de tuin. Hij kijkt weer met één oog dichtgeknepen door diezelfde duim en wijsvinger. Met een tandenstokertje wipt hij met zijn andere hand voorzichtig het deurtje van het kooitje open. Knarf springt er meteen uit en landt met een zware plof in het weiland, achter de sloot. De enorme kater komt woest overeind, springt met gemak over de sloot en rent met een moordende blik in zijn ogen op Otto af. Otto trekt snel de tuindeuren dicht zodat de kater er niet in kan.

En terwijl Knarf buiten als een bezetene zijn woede koelt op het lakwerk van de tuindeuren, haalt Otto één voor één zijn spullen uit de jute zak en plaatst ze in zijn nieuwe huis. Even later is Otto klaar en kijkt hij tevreden in het rond. Ja, Otto voelt zich thuis. Het valt hem op dat Knarf zijn gevecht met de tuindeur heeft opgegeven. En even later ziet hij de echte reden waarom de woeste kater was opgehouden met zijn razernij. Uit het bos achter het huis is een groot zwijn aan komen scharrelen. Knarf sluipt door het hoge gras, recht op zijn prooi af. Zo te zien gaat schele Knarf zich hier ook prima thuis voelen.

Überhaupt raar eigenlijk

Wij hadden in München ooit een huisbaas die bij alles dat wij hem vroegen zei: “Das ist überhaupt kein Problem”. Herr Feitl heette deze beste man. Een rasechte Beier. Het Beiers is een heerlijk dialect. Ik krijg er zo’n lekker groezelig gevoel van. Ik krijg ineens trek in Erdinger (of Franziskaner) Hefe Weizen Bier met een verse, nog warme Pretzel. Herr Feitl sprak heerlijk Beiers en gebruikte het woordje “überhaupt” te pas en te onpas.

Ik werd hieraan herinnerd doordat onze zoon ineens met zijn neus uit zijn boek kwam en grinnikend aan me vroeg wat dit woordje, en hij wees het aan in zijn boek, nou toch weer betekende. Überhaupt, stond er. “Ja, dat is eigenlijk een heel vaag woord”, zei ik. Ik had er überhaupt nog nooit over nagedacht wat het woordje betekende, terwijl ik het ook te pas en te onpas gebruik. Dus ik vroeg me hardop af: “Ja, wat betekent übehaupt überhaupt?”. En toen was het plotseling bedtijd voor hem, dus zeiden mijn vrouw en ik min of meer in koor: “Zeg, heb jij überhaupt wel in de gaten hoe laat het is?”

Verbolgen dat zijn tijdrektaktiek niet had gewerkt slungelde onze zoon de trap op. Hij nam zich voor om morgen op school aan meester te vragen wat überhaupt eigenlijk betekent. Wel ja, wat weten ouders überhaupt ook over taal. Meesters en juffen genieten überhaupt meer respect van onze kinderen. In de klas blijken de kinderen überhaupt altijd oneigenlijk engelachtig te zijn. Kleine huichelaartjes zijn het. Thuis hangen ze hun aureooltjes aan de kapstok en plakken ze hun duivelshorentjes weer op hun guitige tronies. Blijkbaar maken ze op school hun gehoorzaamheid helemaal op, zodat ze thuis überhaupt niet meer te genieten zijn. Maar goed, ik moet überhaupt verdraagzamer worden. Gelukkig weet ik zeker dat ze het überhaupt niet persoonlijk bedoelen allemaal.

Blijkbaar kun je “überhaupt” zo’n beetje in elke zin gebruiken. Heeft “überhaupt” überhaupt nog een betekenis, of is het slechts een pedantig preekwoord. Teruglezend verliezen mijn zinnen nauwelijks aan betekenis als ik “uberhaupt” weg laat. Wel aan dynamiek en ritme. Überhaupt raar eigenlijk.